Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Bij

P. 382.

p. 382 geciteerde arresten H. R. van 1875 en 1906 de verplichting tot het onderhoud van een niet aan de gemeente in eigendom behoorenden weg uit den aard der zaak een verplichting ten behoeve van een gemeentewerk achtten (art. 239 Gem.wet, vgl. art. 179 g en h dier wet en daaromtrent Oppenheim, Ned. Gem.recht, 5e dr. I p. 724—725, II p. 144, 150, 168—169) was H. R. 4 April 1910 W. 9016, R.spr. 214 § 46, P. v. J. 954, G.st. 3069 (5°), W. B. A. 3223, van oordeel dat het opleggen der verplichting tot het onderhouden van wegen, die met gedoogen van den eigenaar voor het verkeer openstaan, niet is het opleggen eener verplichting tot arbeid en levering ten behoeve van een gemeentewerk, zoodat dan art. 239 Gem.wet niet toepasselijk is. Ygl. de concl. O. M. vóór dit arrest. Zie voorts G.st. 3084 (15°), 3226 (12°), 3227 (13°), 3288 (15°); Ged. Staten Zeeland, missive 27 Jan. 1911 W.'B. A. 3339 p. 2; Gombault in W. B. A. 3334 en in T. v. S. 26 p. 249—252.

P. 383, reg. 16 v. o. — Na „418" toe te voegen: Ged. Staten Overijssel hebben 23 Aug. 1909, blijkens Kon. Besluit 24 Jan. 1910 W. B. A. 3172, wettig geacht het toekennen in een provinciaal reglement van de bevoegdheid tot het opleggen van onderhoudsplicht bij gemeenteverordening. Maar toen bestond die onderhoudsplicht reeds van ouds, zie de beslissing van Ged. Staten 1. 1.

P. 384, reg. 14 v. b. — Na „Grw." in te voegen: 1887, LéonWijnveldt nos. 5 en 6 op art. 192 Grw. 1922

P. 385, reg. 5 v. b. — In plaats van „B § 4" lees: G no. 8e, verwijzing naar „Grenzen" p. 128—129.

E (II. De leggers en de openbaarheid van wegen, enz.)

P. 385, no. 98, reg. 4. — Na „H. R." in te voegen: 5 Mei 1913 W. 9506, N. J. 1913 p. 980;

P. 385, noot. — Toevoeging: Ygl. ook die bij Inl. p. 363 met de toevoeging hierboven.

P. 387, reg. 14 v. b. — In plaats van „7" lees: 9.

Sluiten