Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Bij

P. 399.

1915 no. 21 W. B. A. 3435, 29 Maart 1911 R. v. St. 1911 p. 350, W. B. A. 3227, 15 Okt. 1910 W. B. A. 3205. — Tegen G.st. 3128 (17°) is op te merken dat, al moeten op den legger de voetpaden voorkomen, waarop het reglement toepasselijk is, uit den legger toch niet is op te maken of het reglement toepasselijk is. Ygl. Sybenga in W. 9593 p. 4 kol. ] op dit punt. P. 399, noot. — Toevoeging: Vgl. nog Ged. Staten Zeeland

15 April 1927 G.st. 3947 (9°).

P. 400, reg. 4—5 v. b. — O. Mayer, le dr., in den 3n dr. niet overgenomen. Vgl. nog RG. 23 April 1920 E. Z. S. 99 p. 12, Preuss. Ob. Verwalt.gericht in D. Jur. Zeit. 1910 kol. 206, 1911 kol. 222—223, 1222, 1561—1562 en Hartmann in D. Jur. Zeit. 1914 kol. 145--148. Voor het oude Oostenrijk zie F. Hawelka, Die Rechte an öffentl. Wegen... (1910) p. 13—26. P. 400, reg. 7 v. b. — Na „H. R." in te voegen: 13 April 1909 W. 8862, P. v. J. 850, G.st. 3017 (10°), de tweede overweging; P. 400, al. 2 i. f. — Toevoeging: Zoo ook Rb. Utrecht 30 Maart 1927 W. 11774. N. J. 1927 p. 1161 en 7 Dec. 1910 W. 9090.

— H. R. 22 Dec. 1873 W. 3682 p. 3, R.spr. 105 § 45, v. d. Hon. Sr. 1873 p. 411 oordeelde dat het vonnis a quo voor zijn beslissing dat zekere weg niet openbaar was, terecht in aanmerking had genomen dat die weg niet op den legger voorkwam.

P. 400, al. 4. — Art. 153 Grw. 1887, nu art. 154. — Aan die al. toe te voegen: Hof Leeuwarden 18 April 1923 W. 11115 nam implicite aan dat het opleggen van openbaarheid bij gemeenteverordening verdér gaat dan art. 625 B. W. veroorlooft.

— Vgl. nog v. Doorninck in R. Mag. 1908 p. 559—561; Sybenga in W. 9593 p. 4; Kamerlingh Onnes 1.1. p. 139—141; W. B. A. 3077 p. 2 kol. 1 (over een Engelsch wetsontwerp) en het ontwerp wegenwet (zie E bij Inl. p. 355). Over het opheffen der openbaarheid o. a. Ged. Staten Groningen in W. B. A. 3460 p. 1—2.

P. 400, noot i. f. — Toevoeging: D no. 17a i. f. (met verwijzing naar Themis 1922).

Sluiten