Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Bij

P. 451.

op het daar in de eerste plaats onder a genoemde punt). — Rb. Zwolle 23 Jan. 1924 W. 11149 was van oordeel dat een beschikking, waarbij de President der Rechtbank verlof geeft tot het leggen van beslag, haar kracht behoudt, zoolang zij niet is aangetast en dat daarom tegen het beslag niet kan worden aangevoerd dat dit ongeldig is als gelegd op niet voor beslag vatbare goederen. — Hof 's-Gravenhage 30 Dec. 1924 W. 11477 overwoog dat tegen het verlof van den President tot een conservatoir beslag in de daarop volgende procedure niet kan worden aangevoerd dat dit verlof ten onrechte was verleend, op grond dat de beslaglegger het bestaan van zijn recht niet voorloopig en summierlijk aannemelijk zou hebben gemaakt. Kennelijk achtte het Hof dit punt overgelaten aan het eindoordeel van den President. Daarentegen vernietigde Hof Amsterdam 26 Nov. 1924 W. 11298 een vonnis, omdat de Rechtbank daarbij z. i. ten onrechte had beslist dat zij bij een vordering tot vanwaardeverklaring van een conservatoir beslag de genoegzaamheid der den President bij het vragen van verlof tot het beslag overgelegde bescheiden niet mocht beoordeelen, als staande dit ter eindbeoordeeling van den President. De Rechtbank had dit punt, volgens het Hof, wèl moeten onderzoeken, omdat de rechtmatigheid van het beslag er van afhing.

Dat in een verklaringsproces na executoir beslag onder derden, tegen Ned.-Indië ingespannen, de rechter moet berusten in het verlof tot het leggen van beslag, door den Hoogen Raad verleend krachtens artt. 72—73 Indische Comptabiliteitswet tekst 1917 Stbl. 275, (nu artt. 65—66 tekst 1925 Stbl. 328), besliste H. R. 1 Dec. 1927 W. 11772, N. J. 1928 p. 548; vgl. noot 2 K. M. M. 1. 1.

P. 452, reg. 1 v. b. — Na „proces" in te voegen: Ygl. het arrest van genoemd Hof van 7 Febr. 1907, bij Inl. p. 20 no. 13 geciteerd en Hof 's-Hertogenbosch 25 April 1899 W. 7325, W. P. N. R. 1541.

Sluiten