Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

BIJ

P. 452.

P. 452, reg. 4 v. b. — Ygl. Suyling, Inl. tot het burgerlijk recht, I, 2, 2e dr. (1928) p. 303— 304 (anders enm.i. beter dan le dr. p. 399— 400). Daarbij voor Frankrijk Henry (bij Inl. p. 2 geciteerd) p. 148; Japiot in Rev. trim. de droit civil 1912 p. 771—772, 776—780, 794—817 en in Rev. crit. de législ. 1914 p. 358—359; voor Duitschland, dat een afzonderlijke wet op de freiwillige Gerichtsbarkeit heeft, Hellwig, System I p. 61—62; Josef in Zeitschr. für deutschen Zivilprozess 30 p. 98—130, 35 p. 530—569, 40 p. 285—320. Zie voorts Hof Amsterdam 17 Nov. 1911 W. 9322, W. P. N. R. 2223 en, de cassatie tegen dit arrest verwerpend, H. R. 15 Nov. 1912 (bij Inl. p. 5 no. 2 geciteerd), met een belangrijke noot van E. M. M. in W. 9425. Yerder de motiveering van Hof Arnhem 30 Maart 1910 W". 9076, W. P. N. R. 2150 en Rb. 's-Hertogenbosch 28 Jan. 1898, Inl. p. 21 en 484 geciteerd. Zie nog Kirberger in Tijdschr. voor Priv. recht, Not. en Fisc.recht 1 p. 103—109 en de daar geciteerden, P. S(cholten) in W. P. N. R. 2188 p. 572, 2196 p. 42—43, alwaar ook Adriani. Deze schrijvers achten in beginsel betichting van nietigheid voor daden van voluntaire jurisdiktie enkel aannemelijk bij wijze van appèl en cassatie, doch aanvaarden een uitzondering voor het geval dat bij een latere (tot die soort behoorende) daad toch is uitgegaan van de nietigheid der vroegere daad. Zij verschillen onderling hierover, of die uitzondering dan is aan te nemen voor de vroegere dan wel voor de latere daad. Met Adriani en Scholten gaat Jaspar in W. P. N. R. 2204 p. 144 grootendeels mee, vooral met Scholten. Maar Jaspar volgt een andere redeneering, waarbij hij implicite uitgaat van radikale nietigheid eener daad van voluntaire jurisdiktie, indien een der omstandigheden ontbreekt, die de wet voor haar vereischt (vgl. Rb. Alkmaar 20 Febr. 1913 W. 9594, N. J. 1913 p. 1071 en zie hierna bij Inl. p. 474 al. 1, p. 484 al. 2). Jaspar is bestreden door Adriani in W. P. N. R. 2208 p. 196—197.

Wel is het waar dat het toelaten van rechtsmiddelen tegen

Sluiten