Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

tflj

P. 452.

een of andere daad van het staatsgezag slechts dan met de mogelijkheid van radikale nietigheid dier daad vereenigbaar is, als het gebruik van het rechtsmiddel nietigverklaring en niet bloot vernietiging der daad beoogt. Maar tegen de stelling dat het toelaten bij de wet van hooger beroep tegen zulk een daad, dus ook tegen een daad van voluntaire jurisdiktie, meebrengt dat haar wettigheid niet incidenteel kan worden onderzocht, is aan te voeren dat hij, die bij de zaak betrokken is, belang kan hebben door hooger beroep de beschikking te doen vernietigen zonder af te wachten tot hij in de gelegenheid komt incidenteel de zij het dan relatieve nietigheid of de onverbindbaarheid te zijnen aanzien der beschikking vol te houden, zoodat in het toekennen der bevoegdheid tot het eerste niet noodzakelijk ligt opgesloten het ontzeggen van het tweede. Verder betreft het openstellen van appèl mede de opportuniteit der daad. Dit is wel niet het geval bij de cassatie, maar het toelaten daarvan sluit evenmin logisch een incidenteel onderzoek der wettigheid van de daad uit, als bij verordeningen de vernietigbaarheid door de Kroon wegens strijd met de wet in den weg staat aan het rechterlijk toetsingsrecht. Nog worde in herinnering gebracht de, overigens niet steeds opgaande, regel: quae temporalia sunt ad agendum, perpetua sunt ad excipiendum. Daaromtrent zie Jèze in Revue du droit public 1913 p. 318— 323, eenigszins aangevuld in zijn Principes 3e dr. I p. 89—98. Zie voorts Jèze in die Revue 1906 p. 662; vgl. diss. Alcindor (bij Inl. p. 472 noot 2 i. f. te citeeren) p. 80, en het boven bij Inl. p. 5 no. 2 naar aanleiding der Huurwetten gezegde. Met het oog op die wetten zie concl. O. M. vóór H. R. 6 Nov. 1922 N. J. 1923 p. 102; Rb. Maastricht 12 April 1923 W. 11067; Ktg. Assen 25 Okt. 1922 N. J. 1923 p. 1346 en van de bij Inl. p. 5 no. 2 vermelde jurisprudentie speciaal Ktg. Zaandam 22 Jan. 1925 N. J. 1926 p. 282.

Uit het niet toelaten eener hoogere voorziening heeft Rb. 's-Gravenhage 30 Juni 1925 W. 11551, N. J. 1925 p. 1162, ten aan-

Sluiten