Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Bij

P. 457.

Gem.wet anders Oppenheim in H. N. J. V. 1912 I p. 140.

P. 458 al. 1 i. f. — Toevoeging: Vgl. Léon-v. Praag no. 9 op art. 11 A. B.

P. 458, tekst reg. 7 v. o. — Bij „Bep." een noot: De Hooge Raad heeft dat argument vaak aangevoerd. Zie, behalve vroegere jurisprudentie, H. R. 8 Nov. 1915, bij Inl. p. 545, no. 8 A te citeeren.

P. 459, reg. 5 v. b. — Na „staat" in te voegen: Vgl. ook Oppenheim in H. N. J. V. 1912 I p. 139.

P. 459, al. 2, 7e regel. — Bij „beslissen" een noot: Oppenheim heeft dit argument (met handhaving van het andere) laten vallen in zijn 4n dr. I p. 415—416 (vgl. 5e dr. I p. 882—383). Ging het op, dan zou het toetsingsrecht ook moeten worden ontzegd aan den Ongevallenrechter. Maar deze kent het zich, m. i. terecht, toe. Zie b.v. C. R. 4 Maart 1910 C. Org. 7 p. 65, W. R.spr. Soc. Verzek. 1910 no. 11 (2°) j° (1°); 11 Maart 1910 1. 1. no. 12 (2°) j° (1°). Of de C. R. in deze zaken de onwettige Koninklijke Besluiten terecht als nietig heeft behandeld, is een andere vraag; vgl. Inl. p. 460 — 463 jls 481 — 482, 489—490.

P. 459, tekst reg. 7 v. o. — Na „2833 p. 1 kol. 3" in te voegen: Zie ook Red. in W. B. A. 3141.

P. 459, tekst reg. 6 v. o. — Toevoeging: Vgl. J. W(olterbeek) M(uller) in W. 10951 onder Ged. Staten Zuid-Holland 24 Juli en 10 Aug. 1922, die Oppenheim's leer aanhingen. Dat deden ook die Ged. Staten 14 Juli 1925 W. 11374 (daar s. d.), W. v. G. 1925 p. 264 met, m. i. niet afdoend, beroep op art. 139 Grw. 1922, op artt. 161 j° 146 Prov. wet en, daar het toen een gemeentelijke belastingverordening gold, op artt. 233 — 236 en 265 oud Gem.wet. Daarentegen in den anderen zin H. d. J. noot 2 in W. 11433 op H. R. 12 Juni 1925. Vgl. nog tegen genoemde beslissing Ged. Staten van 14 Juni 1925, H. Vos in W. v. G. 4 p. 261—262 en de bij Oppenheim, 5e dr. Ip. 382 — 383 vermelde jurisprudentie.

Voor de Raden van beroep der direkte belastingen heeft de

Sluiten