Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

P. 465.

Beekhoüt in G.st. 1457 p. 2 kol. 2 j° 1458 p. 2 kol. 3,

P. 465, tekst reg. 12 v. o. — Na „382" in te voegen: 5e dr. p. 377—382 en in Hand" Ned. Jur. Vereenig. 1912 I p. 150— 156 j° II p. 89, zie ook aldaar II p. 18—19 ja p. 17 (Levy's citaten van Smidt)

P. 465, no. 23 i. f. — Toevoeging: Vgl. nog o. a. Schultzenstein in D. Jur. Zeit. 1911 kol. 889 — 895; Stoll in Jahrb. für Dogm. 76 p. 193—206; Kelsen, Allg. Staatslehre p. 285—299 jis 407—408.

P. 466 reg. 1—3 v. b. Artt. 136 lid 3 en 147 lid 3 Grw. 1887 èn 1922.

P. 466 reg. 4 v. b. — Toevoeging: Vgl. Boasson, diss. (bij Inl. p. 519 te citeeren) p. 99—101, 137.

P. 467, al. 3 i. f. — Toevoeging: Rb. Amsterdam 18 Maart 1912 W. 9375, W. B. A. 1317, toetste een verordening aan art. 237 Gem.wet, maar het vonnis is hier van minder belang, doordat het op grond der historische uitlegging van dat art. 237 dadelijk kon beslissen dat de verordening er niet mee streed (vgl. in cassatie H. R. 9 Mei 1913 W. 9511, N. J. 1913 p. 772, G.st. 3342, W. B. A. 3356 op het derde middel).

P. 467, reg. 1 v. o. — Deze blzz. heeft O. Mayer in zijn 3n dr. niet overgenomen.

P. 468, reg. 6 v. b. — Na „recht" in te voegen: Zoo ook W. 2818 p. 3—4; vgl. aldaar p. 4 (v. Emden en de Redaktie).

P. 468, al. 1 i. f. — Hierbij een noot: Daarom kan men betwijfelen of Rb. Utrecht 14 Juni 1922 W. 10967 N. J. 1923 p. 668, welk vonnis van oordeel was dat de bepalingen in art. 4 (3°) der nu afgeschafte Huuraanzeggingswet 1921 Stbl. 70 over redelijke voorwaarden in overeenstemming met de gebruiken, slechts een leidraad waren voor de huurcommissies, hieruit terecht afleidde dat de rechter niet had te beoordeelen, of die leidraad juist was toegepast. — De stelling dat de overtreding van zoogenaamde instruktienormen bij een bestuursdaad geen ongeldigheid dier daad zou kunnen meebrengen, gaat niet op: vgl. Andersen (bij Inl. p. 401 geciteerd) p. 46—50.

Sluiten