Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

tfll

P. 486.

P. 486 al. 2 i. f. — Toevoeging: Zie ook het Inl. p. 210 v. o. vermelde arrest H. R. van 20 Okt. 1863.

P. 487 reg. 17 v. b. — „op art. 1 R. O. sub G no. 2" is te schrappen.

P. 488 al. 4 i. f. — Hierbij een noot: Aangaande een benoeming tot liquidateur eener naamlooze vennootschap, dus een zuiver privaatrechtelijke daad, vgl. H. R. 22 Febr. 1929 W. 11988 (met noot 3 H. d. J.), N. J. 1929 p. 1339: de nietigverklaring door den Hoogen Raad van het liquidatie-besluit brengt mee die der benoeming en ook die van de vóór deze nietigverklaring door den tot liquidateur aangewezene verrichte handelingen.

P. 489, no. 31 i. f. — Toevoeging: In gelijken zin als 'sHofs arrest van 1907 dat van 4 April 1910 W. 9012, P. v. J. 996 p. 2 kol. 2—4.

P. 489 reg. 1 v. o.. i. f. — Hierbij een noot: De C. R. neemt voor speciale Koninklijke Besluiten een ander standpunt in dan voor de beslissingen der Rijksverzekeringsbank, zie de jurisprudentie boven in de noot bij Inl. p. 459 al. 2 reg. 7.

P. 490 reg. 14 v. o. — Art. 76 lid 1 Ongevallenwet, nu art. 82 (1°) tekst 1921 Stbl. 819.

P. 490 reg. 5 v. o. — Toevoeging: In de zaak, berecht door Rb. Amsterdam 11 Febr. 1910, bevestigd door Hof Amsterdam 27 Okt. 1910, beide in W. 9140, zijn deze twee beslissingen gecasseerd door H. R. 30 Juni 1911 W. 9197, R.spr. 218 § 54. De terugvordering van volgens den eischenden werkgever onverschuldigd betaalde premies steunde hierop dat de beslissing der Rijksverzekeringsbank, die den verzekeringsplicht des werkgevers had vastgesteld, later was gebleken ten onrechte te zijn gegeven. De Hooge Raad heeft aangenomen dat die beslissing der Rijksverzekeringsbank onaantastbaar was geworden, nu zij niet tijdig bij den Ongevallenrechter was bestreden, met gevolg dat de rechterlijke macht haar wettigheid niet meer kon onderzoeken. - Ygl. art. 77 oud, nu art. 83, Ongevallenwet. Het was hier de vraag, of de wettigheid van de beslissing

Sluiten