Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

By

P. 524.

bevoegdheid gebruik is gemaakt, de rechter niet onderzoeken of in het gegeven geval die verschillende indeeling wenschelijk was en gerechtvaardigd door de omstandigheden.

C. R. 4 Maart 1910 W. R.spr. Soc. Verzek. 1910 no. 11 (2°), C. Org. 7 p. 65.

e. De Hooge Raad [ruimer: de rechter] heeft naar aanleiding van art. 1 wet 4 April 1870 Stbl. 61 slechts te beoordeelen, of de krachtens dat artikel bij Koninklijk besluit voorgeschreven afwijking van art. 143 Algem. wet 1822 Stbl. 88 kan zijn ingegeven door het belang van den handel, enz. Binnen de grenzen dier mogelijkheid is het oordeel der Kroon over de wenschelijkheid van een door haar in overeenstemming met de wet gegeven voorschrift geheel vrij. Eerstbedoelde vraag moet worden beantwoord in het licht der tijdsomstandigheden, waaronder het voorschrift is uitgevaardigd.

H. R. 3 Dec. 192Q W. 11615 (met noot H. d. J., verbeterd in W. 11617 p. 4 kol. 3), N. J. 1927 p. 334 (met noot E. M. M. p. 339—340). Ygl. H. Vos in W. v. G. 6 p. 121—123.

f. Art. 15 wet 20 Juli 1870 Stbl. 131 [zie nu artt. 9, 10, 12 j° 16 wet 1920 Stbl. 153] laat [liet], blijkens het ontbreken van eenige regeling dienaangaande in verband met de algemeene taak der uitvoerende macht, aan deze de [eind]beslissing [aangaande de vraag], wanneer de omstandigheden zijn ingetreden, welke tot het uitvaardigen der in dat art. 15 veroorloofde bepalingen recht geven.

H. R. 19 Febr. 1912 W. 9300, R.spr. 220 § 37, G.st. 3168 (9°).

g. Of de Staat zedelijk gerechtigd was tot de intrekking van den waarborg, dien art. 40 Bezoldigingsbesluit 1920 Stbl. 37 (in 1922 gewijzigd) aan de ambtenaren had gegeven, en of die intrekking [bij Koninklijk besluit 1924 Stbl; 172] gerechtvaardigd was door de financieele omstandigheden, zijn vragen van staatsbeleid, waarover de rechterlijke macht niet mag oordeelen.

Rb. 's-Gravenhage 31 Maart 1925 W. 11329, N. J. 1925 : p. 773, bevestigd door Hof's-Gravenhage 15 Maart 1926 W. 11493.

Sluiten