Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

«IJ

P. 556.

20 A. Ktg. Hilversum 16 Okt. 1925 W. 11428 gaf aan de woorden „dringend of dreigend gevaar" in art. 1 no. 1 wet 1902 Stbl. 54 de uitlegging van oogenblikkelijk gevaar, o. a. omdat anders het bestuur van zijn bevoegdheid een onjuist gebruik zou kunnen maken, wat volgens den Kantonrechter toen was geschied. Hiermee beoordeelde de Kantonrechter de doelmatigheid der door het bestuur genomen maatregelen met het oog op de belangen van anderen. Echter steunde de beslissing op wetsuitlegging, onafhankelijk van het onderzoek naar genoemde doelmatigheidsvraag.

20 B. De rechterlijke macht zou op het haar verboden terrein der administratie treden door bij het toetsen van een administratief besluit aan de wet, welk besluit een vorig besluit heeft ingetrokken, dat een ambtenaar met toekenning van wachtgeld had ontslagen wegens het door inkrimping van den dienst overbodig worden zijner werkzaamheden, — op de bewering der autoriteit, die beide besluiten had genomen, dat het eerst genomen besluit streed met art. 1 Wachtgeldenbesluit 1922 Stbl. 479 (tekst 1925 Stbl. 341) doordat daarbij het bedoelde overbodig worden ten onrechte was aangevoerd, dit punt te onderzoeken. De rechter heeft zich te houden aan de daaromtrent in het eerst gegeven besluit door de daartoe bevoegde autoriteit afgelegde verklaring van het overbodig zijn der werkzaamheden.

Rb. Leeuwarden 11 April 1929 N. J. 1930 p. 114. — Eigenaardig was in dit geval dat de administratieve autoriteit (Raad van Arbeid) zelf zich beriep op de onwaarheid van eigen verklaring. Het is begrijpelijk dat de Rechtbank dit beroep niet wilde toelaten. Maar zij zou niet op haar verboden terrein zijn getreden door te onderzoeken wat feitelijk was voorgevallen en of daaruit bleek dat de Raad van Arbeid zelf niet het overbodig worden der werkzaamheden had aangenomen ondanks de tegengestelde formuleering van zijn besluit.

20 C. De rechterlijke macht heeft de wijze, waarop de be-

Sluiten