Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Bij

P. 617.

moet betreffen. Misschien kan men uit die arresten afleiden: de Hooge Raad heeft stilzwijgend aangenomen dat die voorwaarden niet aanwezig waren. Maar hiervan kan dan de reden zijn geweest dat de gemeentelijke wetgever ze niet als aanwezig vermèla had.

P. 617 reg. 2 v. o. — Na „lid" in te voegen: oud (tekst 1897 Stbl. 156)

P. 617 reg. 1 v. o. — Na „de" in te voegen: daar onder i enj genoemde

P. 618 reg. 5 v. b. — Bij „oud" een noot: Genoemd art. 240 laatste lid is vervallen krachtens de wet van 1920 Stbl. 923. Zie sedert art. 242c Gem.wet en daarop H. R. 19 Maart 1924 W. 11177: de in die bepaling bedoelde regeling naar billijkheid is den gemeentelijken wetgever overgelaten; of deze de billijkheid heeft betracht staat niet ter beoordeeling van den rechter. In gelijken zin H. R. 5 Jan. 1927 W. 11619. Vgl. hetgeen onder „daargelaten" is overwogen door H. R. 11 April 1923 W. 11051, G.st. 3749 (7°) en ook Inl. p. 619 (b).

P. 618 reg. 10 v. b. — Bij „nam" een nóót: Vgl. Boasson p. 89—91.

P. 618 reg. 15—14 v. o. — De woorden „haar grond heeft in eenig gebruik of genot" zijn te cursiveeren.

P. 618 reg. 10 v. o. — Bij „geacht" een noot: Dit arrest bevestigde Ktg. Rotterdam 2 Maart 1870 W. 3193, G.st. 963, waarbij was overwogen dat art. 254 oud Gem.wet niet was een zedelijk voorschrift (het O. M. bij den H. R. noemde het een suasorium; vgl. Inl. p. 466 v. o.), maar een voorschrift van positief recht, waaraan de rechter de verordening had te toetsen.

P. 618 reg. 7 v. o. — Na „567" in te voegen: 5e dr. p. 542. Vgl. ook de arresten, vermeld door Boasson p. 48—50 v. b. — Voor andere, in artt. 238 en 240 Gem.wet zooals die toen luidden, omschreven feitelijke omstandigheden zie de jurispru-

Sluiten