Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

BIJ

P. 623.

Rotterdam 4 April 1910 W. 9051 besliste dat de woorden „tot diens genoegen" in art. 4 lid 8 wet 1891 Stbl. 69 den daar bedoelden ambtenaar niet de bevoegdheid geven eischen te stellen boven hetgeen de wet veroorlooft.

P. 625 reg. 10 v. b. — Na „middel)." in te voegen: Vgl. nog H. R. 26 Okt. 1914 W. 9715, N. J. 1915 p. 84, G.st. 3304 (14°), W. B. A. 3422 in verband met de conclusie O. M. en de in deze vermelde jurisprudentie van den Hoogen Raad (daaronder een arrest van 1899 over een verordening, die anders luidde dan de verordeningen, bij de latere arresten ter sprake gekomen). Verder zie H. R. 28 Juni 1926 W. 11560 p. 4—5, N. J. 1926 p. 868.

P. 625 reg. 17 v. b. — Bij „kol. 1" een noot: Vgl. het Berlijnsche Kammergericht, arrest van 25 Okt. 1909 D. Jur. Zeit. 1910 kol. 149. Er is zekere analogie van de toen berechte zaak met die in de Inl. no. 28 vermeld, maar er zijn ook verschilpunten.

P. 626 reg. 1 v. b. — Na „was" in te voegen: Wel was dat zoo in de zaak, berecht door H. R. 30 Jan. 1911 W. 9139, R.spr. 217 § 9 (het alternatief in dat arrest: ter beoordeeling of van B. en W. of van den rechter ziet blijkens de voorafgaande overwegingen op twee verschillende artikelen der toen in aanmerking komende verordening).

P. 626 reg. 9 v. b. — Bij „424" een noot: Vgl. de boven bij Inl. p. 625 reg. 10 bedoelde jurisprudentie.

P. 627 reg. 12 v. o. — Na „kwesties" in te voegen: (deze in ruimen zin genomen)

P. 627 reg. 9 v. o. — Toevoeging: Ygl. bij Inl. p. 249 no. 27 al. 2 en bij p. 381 reg. 2 v. b. het naar aanleiding van H. R. 25 Maart 1913 gezegde.

P. 627 reg. 3 v. o. — Toevoeging: Over het eindoordeel overgelaten aan den strafrechter bij een beschikking van administratieven aard aangaande de geringe waarde enz. van waren, met gevolg dat dit oordeel den burgerlijken rechter bindt, zie de jurisprudentie, geciteerd bij Inl. p. 305 no. 54 A. — Daarbij vgl. bij Inl. p. 613 reg. 2 en naar aanleiding van art. 554 W. v. K.,

Sluiten