Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Bij

P. 627.

het bij Inl. p. 351 (no. 81C) vermelde arrest Hof Amsterdam van 28 Jan. 1916: het eindoordeel over de aanwezigheid der in dat artikel gestelde vereischten is bij Ged. Staten.

P. 629 no. 33 i. f. — Toevoeging: Vgl. W. Jellinek, Gesetz ... p. 259.

P. 630 al. 2, reg. 5. — Na „158" in te voegen: (zie nu tekst 1921 Stbl. 705, artt. 21, 1° en 25 j° 23, 2°)

P. 630. Na no. 34.

34 A. In twee processen over schadevergoeding wegens onrechtmatige ambtsdaad, het eene naar aanleiding van art. 20 der toen nog geldende Distributiewet 1916 Stbl. 416, het andere naar aanleiding van art. 46 Sv. 1886 heeft Rb. 's-Gravenhage 18 Nov. 1919 W. 10601 en 25 Nov. 1919 W. 10601 p. 1—2, gemeend dat aan het eindoordeel van de betrokken ambtenaren was overgelaten, in de distributiezaak of zeker voorwerp geschikt was om tot ontdekking der waarheid te dienen, in de andere of het voor inbeslagneming in aanmerking kwam, hetzij op den zooeven genoemden grond, hetzij omdat het dienstig scheen voor het plegen van het feit. — M. i. zag de Rechtbank in beide zaken over het hoofd dat, al hadden de bedoelde ambtenaren over deze punten zelfstandig te oordeelen, dit nog niet insluit dat hun het eindoordeel was overgelaten en dat, al zal de rechter niet licht van een ander oordeel zijn dan zij, dit toch kan voorkomen, in welk geval de vordering tot schadevergoeding voor toewijzing vatbaar zou zijn. Wel was het in het tweede proces een vraag van beleid, hoeveel de Officier van Justitie in beslag meende te moeten nemen, zoodat de bewering dat hij met minder had kunnen volstaan, geen doel kon treffen.

P. 631 reg. 6 v. b. — Na „176" in te voegen: gewijzigd bij wet 1923 Stbl. 197

P. 631 no. 36 i. f. — Toevoeging: Bij dit no. 36 vgl. Boasson p. 82-^83.

Sluiten