Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Bij

P. 636.

beslissing toe over de vraag, of alle godsdienstoefeningen zijn geëindigd, wat ingevolge art. 4 Zondagswet 1815 moet worden uitgemaakt om te beoordeelen of een uitzondering is aan te nemen op de strafbaarheid [die art. 6 dier wet op haar overtreding bepaalt].

H. R. 9 Nov. 1925 W. 11473 p. 1-2, N. J. 1925 p. 1252. - Art. 4 laat de plaatselijke besturen vrij een uitzondering toe te staan op den in dat artikel gestelden regel, onder de mits dat alle godsdienstoefeningen zijn geëindigd. Dus moet het plaatselijk bestuur ook dit laatste beoordeelen, als het geneigd is een uitzondering toe te staan. Maar dat neemt niet weg dat in de strafzaak de rechter zelfstandig heeft te onderzoeken, of de bedoelde voorwaarde yoor de uitzondering terecht door het plaatselijk bestuur aanwezig is gedacht. Dit moet het arrest dan ook hebben bedoeld.

43 C. Noemt een gemeenteverordening zekere veren op als bestaande, dan mag de rechter haar niet ten aanzien van één dier veren buiten toepassing laten op motief dat dit veer niet wettig zou zijn opgericht. Dat zou neerkomen op een onderzoek naar de innerlijke waarde der verordening.

H. R. 24 Juni 1862 en 7 Juni 1864, beide arresten geciteerd bij Léon-v. Praag op art. 11 A. B. p. 217 (h), vgl. aldaar. — De opneming van het veer in de gemeenteyerordening kan voldoende worden geacht om aan dat veer, al mocht het te voren niet wettig hebben bestaan, het wettig bestaan te verzekeren, zoodat de rechter op dien grond dit punt niet meer heeft te onderzoeken in een geding, dat den toestand na invoering dier verordening betreft.

P. 636 reg. 14 v. o. — Na „hierbij" in te voegen: (behoudens toepassing yan art. 731 Rv.)

P. 636 reg. 13 v. o. — In plaats van „begin van" lees: bestaan van gegronde vrees voor"

P. 636 reg. 10 v. o. — Toevoeging: Hof 's-Gravenhage 5. Mei

Sluiten