Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Bij

P. 662.

H. N. J. Y. 1919 I (8°) p. 76—85 en den Min. v. Just. (Heemskerk) in Hand" Tweede Kamer 1919—1920 p. 1301 kol. 2.

P. 662 tekst, reg. 10 v. o. — Bij „B. W." een noot: Vgl. bij wijze van analogie §§ 315, 317 lid 1, 319 Duitsch B. G. B. en R. Demogue, Les notions fondamentales du droit privé (1911) p. 635—636. Verder vgl. het boven bij Inl. p. 657 aangeteekende. De nu heerschende meening dat art. 1374 lid 3 B. W. ziet op de objektieve goede trouw brengt mee dat het Inl. p. 662 de lege ferenda gewenschte voor een goed deel reeds geldend recht is. Er blijven echter gevallen over, waarvoor men het raadzaam kan achten wettelijke waarborgen te stellen, die het overlaten aan partijen van zeker oordeel breidelen; zoo wat betreft het wijzigen der overeenkomst. Vgl. Ktg. Amsterdam 29 Okt. 1924 N. J. 1925 p. 606, R. B. A. 13 p. 61 (toen was er nog goedkeuring door den Minister van Waterstaat vereischt). — Vgl. nog R. de Saint-Rémy, De larevision des clauses léonines dans les contrats d'adhésion, diss. Parijs 1928, speciaal p. 203—215 (litteratuur op p. 251—252).

P. 663 § 6 (Aanhangsel).

P. 663 al. 2, reg. 1. — Na „van" in te voegen: 23 Juni 1913 W. 9518 p. 2—3, N. J. 1913 p. 1085, 10 Jan. 1910 W 8970.

Bij Hoofdstuk XVIII. (Onderlinge verhouding van de procedure bij den rechter en die bij de administratie).

P; 665. Na al. 2. — Toevoeging:

f. H. R. 7 Dec. 1928 W. 11934, N. J. 1929 p. 788 (met noot E. M. M. p. 793), leidde uit artt. 5 en 8 Telegraaf- en Telefoon wet 1904 Stbl. 7 af dat de in dit art. 5 voorgeschreven administratieve behandeling elk beroep afsnijdt op den burgerlijken rechter, dat steunt op de bewering als zou de aanleg van werken, geschied ingevolge de beslissing van den Minister van Waterstaat, het gebruik van den grond in strijd met art. 4 lid 3 dier wet meer dan noodig belemmeren.

Sluiten