Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Bij

P. 667.

der wet van 24 Jan 1815 Stbl. 5 (nu afgeschaft door art. 136, I, 5° wet 1929 Stbl. 530) zie Rb. 's-Gravenhage 17 Jan. 1922 W. 11005. — Rb. 's-Hertogenbosch 30 Dec. 1921 W. 10930 leidde uit art. 6 wet 11 Juli 1908 Stbl. 226 af dat, stelt men niet een schriftelijke opvraging, gelijk dit artikel voor de uitkeering van geconsigneerde gelden voorschrijft, de vordering bij de rechterlijke macht tot uitbetaling dier gelden niet-ontvankelijk is. Dat is m. i. juist daar, al zegt art. 6 het niet uitdrukkelijk, er zonder schriftelijke opvraging geen verplichting tot uitbetaling is.

P. 667 no. 5 i. f. — Toevoeging: In W. 10210 p. 4 kol. 3 houdt J. A. Levy het voor ongrondwettig bij de wet te bepalen dat de weg in rechte eerst openstaat nadat een niet rechterlijk college zijn oordeel heeft gegeven. Hij voert geen argument aan. Ygl. hem in W. 10200 p. 7 kol. 2, waar hij over het hoofd ziet dat een niet bindend oordeel geen rechtspraak is en er dus ook niet van tusschen-instantie mag worden gesproken. Zie nog Red. in W. 10211 p. 1 kol. 3 tegen Levy in W. 10200 en vgl. Salomonson in W. 10206 p. 7 kol. 2—3, 10215 p. 8 kol 1. In W. 10218 p. 8 blijft Levy bij zijn onjuiste stellingen.

P. 667 reg. 2 v. o. — Na „6624" in te voegen: vgl. ook Rb. Zwolle 28 Juni 1916 W. 10520.

P. 668 reg. 7 v. b. — Na „137" in te voegen: nu tekst 1915 Stbl. 304

P. 668 reg. 14 v. b. — Na „215" in te voegen: (nu Kon. Besluit 21 Aug. 1916 Stbl. 418, gewijzigd Stbl. 1920 no. 709 en 1924 no. 32, welks art. 270 is te vergelijken bij het vroegere art. 22)

P. 669 reg. 2 v. b. — Schepel 2e dr. p. 396—397.

P. 669 reg. 6 v. b. — Na „ting" in te voegen: In dien zin ook Rb. Middelburg 21 Nov. 1928 W. 11958.

P. 669 tekst, reg. 4 v. o. — Na „1900" in te voegen: gewijzigd wet 1923 Stbl. 197

P. 670 reg. 1—2 v. b. — Schepel 2e dr. p. 395—396 noot 2.

Sluiten