Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Bij

P. 684.

op grond van overmacht was gezwicht. Ygl. het onderschrift der Redaktie in W. 10215 en het protest van den President in zijn beschikking van 21 Mei 1918 N. J. 1918 p. 560. —In een soortgelijk geval gaf Pres. Rb. 's-Gravenhage 11 Maart 1918 W. 10224 den Staat het bevel de aangezegde wegvoering van eischers goederen te staken. Dit bevel is vernietigd door Hof 's-Gravenhage 22 April 1918 W. 10242, N. J. 1918 p. 889. De President had o. a. aangevoerd dat er hier was een beklag wegens onrechtmatige inbreuk op eischers eigendom. Op dit punt overwoog het Hof dat de President een maatregel van het administratief gezag niet tijdelijk met lamheid mag slaan, maar 's Hofs beslissing is voornamelijk gemotiveerd met het oog op de Distributiewet.

Hof 's-Gravenhage 7 Mei 1917 W. 10142, bevestigend Pres. Rb. 's-Gravenhage 26 Febr. 1917 W. 10176, meende dat in kort geding van den President der Rechtbank mag worden gevraagd een bevel tot provisioneele staking der op art. 33 Inkwarv tieringswet steunende opvordering door het militair gezag van grondeigendom.

Pres. Rb. Amsterdam 10 April 1928 W. 11824, N. J. 1929 p. 955 was van oordeel dat, nu een autobus-ondernemer bij de Rechtbank schadevergoeding van de gemeente wilde vorderen wegens het belemmeren van zijn door Ged. Staten geconcessioneerden autobusdienst en bij den President ter beperking zijner schade vroeg een verbod dier belemmering met veroordeeling der gemeente (den Burgemeester) tot aanwijzing eener standplaats, hij President slechts dan hiervoor incompetent zou zijn, als het zeer waarschijnlijk was dat ook de Rechtbank zich incompetent zou achten, hetgeen niet het geval was, daar z. i. de argumenten vóór de competentie sterker waren dan die er tegen. Maar omdat het nog onzeker was of de concessie * van Ged. Staten door de Kroon zou worden gehandhaafd, achtte de President het ongewenscht de vordering toe te wijzen en verklaarde hij deze niet-ontvankelijk.

1

Sluiten