Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

m

P. 711.

116—118 (vgl. R. Mag. 1929 p. 131—138). Ontkend wordt het bestaan van volkenrecht nog door N. Beets, Volksvertegenwoordiging en tractatenrecbt (1918) p. 2 — 8 ja p. 15. Vgl. R. Kranenburg, Positief recht en Rechtsbewustzijn (1928) p. 188— 191; W. Zevenbergen, Formeele Encyclopsedie der rechtswetenschap (1924) p. 171—185.

P. 711 tekst, reg. 2 v. o. — In plaats van „het Supplement" lees nu: de Supplementen

P. 711 noot i. f. — Na „p. 2—3" in te voegen: en Jitta, Int. priv.recht (1916) p. 163.

P. 712 reg. 6 v. b. — Na „2" een noot: Zie thans art. 13 a A.B. en Léon-v. Praag op dat artikel.

P. 712 reg. 16 v. b. — Na „403" in te voegen: alsmede (tegen Evertsen de Jonge) door d(en) T(ex) in Ned. Jaarbn 1850 p. 424; Tellegen in N. Bijdr" 1866 p. 72.

P. 712 reg. 13 en 3 v. o. — Art. 153 Grw. 1887, nu art. 154.

P. 713 noot. — Toevoeging: Voorts v.Raalte in Staatsrechtelijke Opstellen voor prof. Krabbe (1927) II p. 39—59, terecht gekritiseerd door v. d. Grinten in Themis 1928 p. 91.

P. 714 reg. 2 v. b. — Hierbij een noot: Vgl. Kosters, Het internat.

burg. recht p. 90 vv. en zijn Les fondements (bij Inl. p. 711

no. 1 geciteerd) p. 129, 261—266; Zevenbergen (t. a. p. mede geciteerd) p. 236—245.

P. 714 tekst, reg. 1 v. o. — Bij „dingen" een noot: Vgl. H. R. 3 Maart 1919 W. 10402, N. J. 1919 p. 371, naar aanleiding der wet van 3 Aug. 1914 Stbl. 344, in verband met het grensverdrag met Pruisen van 26 Juni 1816, overwegend dat, tenzij de tekst der wet er toe dwingt, niet mag worden aangenomen dat de Nederlandsche wetgever eigenmachtig van een verdrag zou zijn afgeweken. De Hooge Raad hield de algemeen luidende bewoordingen der wet van 1914 niet voldoende om zulk een afwijking aan te nemen. — Vgl. nog Kosters, Les fondements p. 122—123, 237 ja p. 129.

P. 714 noot 2. — Toevoeging: Met haar vereenigen zich Struycken

Sluiten