Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Bij

P. 721.

P. 721 § 2 (Invloed van het volkenrecht op de jurisdictie in burgerlijke zaken buiten de exterritorialiteit).

P. 721 reg. 12 v. o. — Bij „competentie" een noot: Vgl. R. Mag. 1920 p. 242—243 noot 2 over het later door Jitta ingenomen standpunt.

P. 721 reg. 3 v. o. — Na „37" in te voegen: Scheltema, in W. P. N. R. 3136; R. Neuner, Internationale Zustandig-

keit (1929).

P. 722 tekst, reg. 13 v. o. — Bij „rechtsmacht" een noot: "Vgl. oók Rb. Utrecht 14 Maart 1917 N. J. 1917 p. 1055, over welk vonnis zie nader in het begin der noot 2 in R. Mag. 1920 p. 242. P. 724 reg. 12 v. b. — Bij „Rv." een noot: Over de vraag of art. 431 lid 2 een uitbreiding van jurisdiktie inhoudt vgl. Jitta, Int. priv.recht p. 172 en Koksma in R. Mag. 1918 p. 264. Het door Jitta bedoelde arrest van 5 Jan. (niet 15Febr.)1866 W. 2765, R.spr. 82 § 4, v. d. Hop. B. R. 30 p. 170, schijnt de vraag implicite bevestigend te beantwoorden (vgl. de concl. O. M.), wat Jitta bedenkelijk vindt, M. i. heeft het arrest enkel betrekking op het geval dat de Nederlandsche wet een competentiebepaling behelst, en is dan wegens bedoelde beperking

niet bedenkelijk, maar juist.

P. 724 noot 2. — v. Rossem, 3e dr. p. 265—270, speciaal p. 267

268. In reg. 1 v. o. na „780" in te voegen: Jitta, Int.

priv.recht p. 166—168 en zie de Inl. p. 722 vermelde arresten H. R. van 1858, 1861 en 1891 tegenover dat van 1901. P. 725 reg. 5 v. b. — Toevoeging: Ten onrechte meent Meijers in W. P. N. R. 2440, noot op H. R. 24 Dec. 1915 (ook in W. 9933 en N. J. 1916 p. 417) dat dit arrest het standpunt van dat van 1911 prijs geeft. Noodzakelijk volgt dat niet uit het arrest van 1915, dat enkel de vraag heeft beslist (en wel in ontkennenden zin) of partijen in de plaats van de wet juiisdiktie kunnen vestigen. Zie concl. O. M. vóór H. R. 15 Jan. 1920 W. 10533 (met noot S. B.), N. J. 1920 p. 181 en mijn noot 8 in W. P. N. R. 2450 p. 598. Dit arrest van 1920 behandelde

Sluiten