Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

jö1j

P. 744.

materieel recht regelt, niet insluit onderwerping aan de jurisdiktie van het land dier wet. De vaak in het buitenland verkondigde tegengestelde opvatting berust louter op een ongeoorloofde fiktie.

P. 744 tekst, reg. 11 v. o. — Bij „onderworpen" een noot: Desniettemin heeft Rb. Rotterdam 25 Sept. 1916 W. 10022, N. J. 1917 p. 13 een vreemden Staat bij verstek veroordeeld, nog wel naar aanleiding eener bestuursdaad. Tegen zulk een veroordeeling Hof 's-Gravenhage 28 Maart 1917 W. 10170, N. J. 1918 p. 38, W. P. N. R. 2504, in appèl van Pres. Rb. Rotterdam 13 Jan. 1917 W. 10038, N. J. 1917 p. 133; Rb. 's-Gravenhage 1 Maart 1917 N. J. 1917 p.389; Rb. Maastricht 23 Nov. 1916 W. 10035, N. J. 1917 p. 12, W. P. N. R. 2450; Rb. Rotterdam 2 April 1917 N. J. 1917 p. 434. Vgl. de meening van den Min. v. Just. in W. 10024 p. 8 kol. 2 en v. d. Flier in Grotius 1916 p. 151.

P. 744 tekst, reg. 8 v. o. — Na „is" in te voegen: Vgl. Léonv. Praag no 3e op art. 13a A. B. Verder over de reconventie in Duitschland RG. 23 Juni 1925 E. Z. S. 111 p. 149; in Engeland King's Bench 23 Okt. 1925 Times Law Reports'42 p. 21, J. D. I. 1926 p. 476; in de Vereenigde Staten van N.-Amerika Hof district Zuid N.-York 15 Jan. 1923 R. D. M. C. 5 p. 308.

P. 745 reg. 8 v. b. — Bij „126" een noot: Vgl. Léon-v. Praag no. 3/* op art. 13 a A. B. Met het daar vermelde vonnis van 1925 was in appèl Hof Amsterdam 13 Maart 1928 W. 11816 het niet eens. Het Hof deelde de t. a. p. weergegeven meening dei Rechtbank slechts voor het geval dat de Staat, van wiens bestuursdaad de onrechtmatigheid wordt beweerd, zelf partij is in het proces. — Bij t. a. p. no. 3g zie hieronder bij Inl. p. 750.

P. 745 reg. 8 en 6 v. 0. — v. Hamel 4e dr. p. 249 v. 0. en p. 251—252 (6°).

1. 746 leg. 3 v. b. Na „3306" in te voegen: Vgl. Kosters Int. burg. recht p. 340, 341 v. b., 343 v. b.

P. 746 reg. 7 v. 0. — Na „Successiewet" in te voegen: (van

Léon's Rspr., II, 1, R. O., s. •

Sluiten