Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

J51J

P. 27.

O. M. vóór H. R. 11 Nov. 1926 W. 11591, N. J. 1927 p. 323.

P. 28 reg. 10 v. b. — Toevoeging: In gelijken zin Rb. Groningen 28 Okt. 1927 W. 11766, N. J. 1929 p. 270 (aangaande een contractueele opdracht aan een Hof, terwijl de Rechtbank was geadieerd): wegens niet nakoming van het contract kan de vordering niet-ontvankelijk zijn, maar de Rechtbank niet onbevoegd worden.

P. 28 reg. 14 v. o. — Na „219—222" in te voegen: Bij p. 220 noot 1 vgl. de geciteerden in de Ned. Rechtsliteratuur v° Appèl in burg. zaken no. 38. Zie voorts H. R. 6 Jnni 1924 W. 11292, N. J. 1924 p. 852. Speciaal ten aanzien der competentie van den appèlrechter zie Rb. Rotterdam 7 Mei 1928 W. 11973, N. J. 1929 p. 195. — Bij R. Mag. 1920 p. 221 vgl. Rb. Zutphen 16 of 24 Okt. 1924 W. 1L314, R. B. A. 13 p. 20. H. R. 14 Mei 1925 W. 11441, N. J. 1925 p. 1032, R. B. A. 14 p. 33 verwierp het tegen dit vonnis ingestelde beroep in cassatie.

P. 28 reg. 6 v. o. — Na „2664" in te voegen: 3137 p. 64 kol. 2 (met noot 23).

P. 28 reg. 2 v. o. — Na „p. 1220;" in te voegen: bij R. Mag. 1920 p. 225 vgl. H. R. 16 Mei 1924 W. 11301 (met noot H. d. J.), N. J. 1924 p. 856. Daarbij zie Hof Amsterdam 21 Febr. 1928 W. 11900, N. J. 1928 p. 1046. Anders dan de H. R. Ktg. Amsterdam 24 Sept. 1925 N. J. 1925 p. 1200 en Ktg. Groningen 23 Okt. 1922 N. J. 1922 p. 1220. Gemeld vonnis Ktg. Amsterdam nam nog aan dat art. 156 Rv. niet toepasselijk is in het geval dat gedaagde verstek laat gaan. In den zin van dit vonnis ook Ktg. Amsterdam 8 Okt. 1925 N. J. 1926 p. 664.

P. 29 reg. 2 v. b. — Toevoeging: Bij R. Mag. 1920 p. 231 vgl. Hof Amsterdam 17 Okt. 1924 N. J. 1925 p. 792; Rb. Rotterdam 5 Okt. 1923 (niet 1924) W. 11149, N. J. 1924 p. 1040; Ktg. Goor 25 Juni 1929 N. J. 1930 p. 13.

N. Hiërarchische verhouding der rechters van art. 1.

P. 28 reg. 3 v. o. — Na „Hierover" in te voegen: Stak Busmann, Hoofdst. v. B. Rv. no. 68. Vgl. nog W. 7644 p. 4.

Sluiten