Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Bij

P. 30.

Art. 2.

A. Art. 2 en de Grondwet. — Internationaal recht. — Regeling in het buitenland.

P. 30 reg. 5 v. o. — Na „186" in te voegen: Kranenburg (bij E. O. p. 8 geciteerd) II p. 32—52 jis p. 66—76; F. G. Scheltema, rede in W. P. N. R. 3135 p. 38—40.

P. 31 reg. 14 v. o. — Toevoeging: Vgl. R. O. p. 70—71 en daarbij hieronder.

P. 32 tekst, reg. 14 v. o. — Na „jurisprudentie" in te voegen: Vgl. nog Neuner, (bij R. O. p. 26 geciteerd) p. 16.

P. 32 tekst, reg. 10 v. o. — Toevoeging: 4 A. Aangaande de jurisdiktie van den Nederlandschen rechter, als steunend op art. 153 Grw. 1887 (nu art. 154) en de wet R. O., zie Hof Arasterdam 30 Nov. 1922 W. 11094,

P. 32 tekst, reg. 5 v. o. — Toevoeging: Over art. 92 der Belgische grondwet zie de jurisprudentie in La Belgique judiciaire 1922 kol. 78—81. — Op § 13 van het Duitsche GVG. vgl. nog het Pruisische Gerichtshof zur Entscheidung der Korapetenzkonflikte 29 Maart 1924 J. W. 1924 p. 2084—2085 (met noot). Vgl. voorts RG. 2 Juli 1925 E. Z. S. 111 p. 212 (213—215); 11 Dec. 1925 E. Z. S. 112 p. 221 (222-223).

B. Publiek recht tegenover privaat recht.

Zie het Supplement bij „Op de grenzen van publiek- en privaat recht", hierna achter het Register.

P. 33. C. Geschillen over ... rechten.

P. 34 regel 1 v. o. — Toevoeging: In anderen geest dan onze Hooge Raad overwoog in Duitschland RG. 13 Juni 1927 E. Z. S. 117 p. 236 dat het voorwerp van een geschil slechts kan worden vastgesteld door de beweringen van beide partijen omtrent haar aanspraken tegenover elkaar te stellen. Het RG. let dus mede op het door gedaagde gestelde recht, terwijl de consequentie der leer van den H. R. in 1915 is dat de verwering ter beoordeeling der competentie van de rechterlijke

Sluiten