Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

^>1]

P. 82.

1926 W. 11519, N. J. 1926 p. 401; Rb.'s-Gravenhage 10 Febr. 1925 W. 11468.

P. 82 no. 8 i. f. — Toevoeging: Aangaande de vereischten voor de ontvankelijkheid der hier bedoelde vordering zie Rb. Zwolle 10 April 1929 W. 12085.

P. 84 reg. 12 v. b. — Na „26" in te voegen: Naar aanleiding van art. 6 der bij wet 1926 Stbl. 248 ingetrokken Scheurwet 1918 Stbl. 503 overwoog H. R. 10 Jan. 1930 W. 12098, N. J. 1930 p. 168 dat de door dit artikel toegekende vordering tot schadevergoeding, nu tot haar vaststelling de wet geen voorschriften geeft, als geschil over schuldvordering ter bevoegdheid is van de rechterlijke macht, daar de wet nergens te dien aanzien een uitzondering op art. 2 R. O. heeft gemaakt. — Over de strekking dezer motiveering met het ontbreken van voorschriften over de vaststelling der schadevergoeding zie de noot E. M. M., N. J. p. 174.

P. 85 reg. 3 v. b. — Toevoeging: Bij Themis 1922 p. 16 noot 81 zie RG. 23 Jan. 1922 J. W. 1923 p. 78 met noot en 23Sept. 1924 E. Z. S. 108 p. 391. — Bij de Themis 1922 p. 18 noot vermelde litteratuur te voegen: A. O(üdeman) in Opm. en Med. 2 p. 219—224.

P. 85 reg. 15 v. b. — Toevoeging: Eveneens voor een geschil tusschen twee gemeenten over de aan art. 104 lid 1 wet L. O. 1920 Stbl. 778 (tekst 1923 Stbl. 106) ontleende aanspraak op een geldelijke uitkeering, op motief dat het is een twistgeding over schuldvordering, H. R. 1 Juni 1928 W. 11834 p. 1-2, N. J. 1928 p. 921, G.st. 4005 (4°) en het arrest a quo, Hof 's-Hertogenbosch 14 Juni 1927 W. 11728.

P. 85 reg. 12 v. o. — Toevoeging: De wet van 15 Juli 1929 Stbl. 388 heeft die van 1897 Stbl. 156 vervangen.

P. 89 no. 27. — Toevoeging: H. R. 29 Jan. 1930 W. 12105, N. J. 1930 p. 628 heeft beslist dat ingevolge art. 16 lid 4 wet 1832 Stbl. 29 de parate executie van art. 4 derFransche wet van 19 Aug 1791 is afgeschaft.

Sluiten