Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Bij

P. 98.

P. 98 reg. 2 v. b. — In plaats van „91" lees: 391, 3e dr. II p. 221—222.

P. 99 reg. 10 v. o. — O. Mayer 3e dr. II p. 107 noot 81.

P. 103 reg. 4 v. b. — Toevoeging: Ygl. Inl. R. O. p. 41, no. 20.

P. 104 reg. 8 v. o. — Na „99" in te voegen: E no. 272 (verwijzing naar Tbemis 1925 p. 334—335).

P. 104 reg. 3 v. o. — Toevoeging: Ygl. Kranenburg (bij R. O. p. 8 geciteerd) II p. 67—69 — en daarbij M. V. Polak in W. 12081 p. 7 kol. 3 — over het arrest van 1923 in tegenstelling met dat van 29 April 1910 (R. O. p. 103, no. 10ai. f. bedoeld), \rgl. voorts Kranenburg in R. Mag. 1928 p. 524, waar hij meent dat het arrest van 1923 haast van nog meer belang is dan dat van 20 Nov. 1924 W. 11293, N. J. 1925 p. 89, welk arrest echter niet art. 2 R. O. betrof, doch, voorzoover hier van belang, enkel artt. 1401 vv. B. W. Daarom gaat een vergelijking mank.

M. i. was de meening van den Hoogen Raad in het arrest van 20 April 1923 dat door het stellen van vermogensnadeel over schending van een civiel recht was geklaagd, niet juist. Als het eerste het tweede zou meebrengen, dan had de H. R. in zijn arrest van 20 Nov. 1924 niet behoeven te overwegen dat het voor de toepassing van artt. 1401—1402 B. W. er niet toe doet of een subjektief recht van den benadeelde is geschonden. Immers zou dit laatste bij vermogensnadeel, toegebracht door overtreding van een publiekrechtelijk voorschrift steeds het geval zijn, ging de leer van 1923 op. Vgl. hierbij nog Grenzen p. 75 en noot 133.

10 A. Ook Rb. Leeuwarden 11 April 1929 N. J. 1930 p. 114 ging (in een zaak, waarin de vordering enkel een daad van den rechter verlangde en niet als die van no. 10, een daad van gedaagde) uit van het denkbeeld dat de rechterlijke macht steeds bevoegd is, als eischer ter bescherming van een vermogensbelang haar tusschenkomst inroept. Iemand, die in 1925 door een Raad van Arbeid met ingang van 1 Nov. 1925 eervol

Léon's Rspr., II, 1, R. O., 2e ged. s. 2

Sluiten