Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

P. 104.

en met toekenning van wachtgeld was ontslagen wegens het overbodig worden zijner werkzaamheden, vorderde het buiten effekt stellen van een besluit van 1926 van dienzelfden Raad, dat het besluit van 1925 had ingetrokken en weer met ingang van 1 Nov. 1925 ontslag verleend, nu zonder wachtgeld. Eischer voerde aan dat dit besluit van 1926 krachteloos was. Behalve haar bij Inl. R. O. p. 453 en 517 vermelde overwegingen voor haar competentie, deed de Rechtbank deze hierop steunen dat grondslag der vordering was eischers vermogensrechtelijk belang, hierin bestaande dat bij krachteloosheid van het intrekkingsbesluit hij zooveel minder premie voor weduwen- en weezenpensioen zou hebben te betalen. Zij nam aan dat de vordering strekte tot onverbindendverklaring van het bestreden besluit voor eischer, tot het te niet doen der door hem beweerde krenking van zijn door het eerste besluit (waarin hij had berust) verkregen recht om te volstaan met een premiebetaling van ruim f 100 en tot handhaving van het eerste ontslag (gegeven met toekenning van wachtgeld). Daarmee was m. i. aan de dagvaarding de strekking toegekend erkenning te verlangen van eischers recht op wachtgeld, zoodat de Rechtbank voor haar competentverklaring had kunnen aanvoeren dat het geschil liep over een schuldvordering (vgl. R. O. p. 73 vv., no. 2).

P. 105. Na no. 12 toe te voegen: 12 A. Door verzet tegen een executoriaal beslag, gelegd op door publiek recht beheerschte zaken [zooals een Departementsgebouw] ontstaat een geschil over een burgerlijk recht, daar het rechtsmiddel van beslag aan het privaat recht is ontleend.

Pres. Rb. 's-Gravenhage 1 Aug. 1928 W. 11881, N. J. 1928 p. 1055, — De motiveering is bedenkelijk: de kwaliflkatie van het recht, waarover een geschil loopt is niet te ontleenen aan de wet, die het door partij gebezigde rechtsmiddel regelt. Maar was hier niet voorwerp van het geschil de uit de bestemming tot den publieken dienst af te leiden omvang van uit eigendom voortspruitende rechten, als al dan niet de executie uitsluitend.

Sluiten