Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Bij

P. 160.

p. 1—2 en de daar geciteerden, W. 11517 p. 4, Adv.bl. 8 p. 104— 109, 148—149,

P. 161. Art. 19.

P. 162 no. 3as. — Toevoeging: De hier bedoelde circulaire ook in W. 6874 p. 4.

P. 162 no. Sb. — Tweemaal achter „III" in te voegen: oud (nu art. 23)

P. 162 no. 3cl. — Toevoeging: e. Aan art. 19 is een nieuw lid 2 toegevoegd bij wet 8 April 1927 Stbl. 78. Ygl. Mem. v. Toel. Bijl" Hand" Tweede Kamer 1925—1926 no. 270 en daarbij Fruin in Adv.bl. 9 p. 69—73.

Art. 20.

A. Openbaarheid.

P. 162 reg. 5 v. o. — Na „H. R." in te voegen: 16 Dec. 1926 W. 11608, N. J. 1927 p. 285;

P. 163 reg. 11 v. b. — Bij „p. 5" een noot: Is met bovenstaande jurisprudentie in overeenstemming de naar aanleiding van art. 823 Rv. gegeven overweging van H. R. 24 Juli 1928 W. 11888 p. 2, N. J. 1928 p. 1540 dat, blijkt het nageleefd zijn van dat artikel niet uit het procesverbaal van het getuigenverhoor, het tegendeel moet worden aangenomen? Aangaande art. 20 R. O. oordeelt de Hooge Raad: blijkt niet van een openbare zitting, dan is er een met gesloten deuren aan te nemen, omgekeerd aangaande art. 823 Rv. (want het procesverbaal heeft niet te vermelden dat zeker wetsvoorschrift ie nageleefd, maar de feiten, waaruit dat moet blijken). Intusschen het getuigenverhoor is een incident. Had het voorafgaande gedeelte van het geding plaats met open deuren, dan mag men, tenzij van het tegendeel blijkt, uitgaan van de onderstelling dat hetzelfde voor het vervolg is geschied, dus bij het getuigenverhoor. Buitendien is het niet inconsequent om met het oog op de noodige controle zoowel ten aanzien eener wetsbepaling, die openbaarheid der zitting beveelt als ten aanzien eener wets-

Sluiten