Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

BIJ

P. 174.

vóór H. R. 2 Jan. 1924 W. 11214 en vóór H. R. 4 April 1924 W. 11228, N. J. 1924 p. 561 P. 174 reg. 12 v. o. — Toevoeging: H. R. 1 Febr. 1929 W. 11964 (met noot S. B.), N. J. 1929 p. 1229, liet op de overweging dat de aangevallen motiveering voldeed aan art. 20 volgen dat men in cassatie slechts dan met vrucht kan aanvoeren dat de door den lageren rechter gebezigde motiveering zijn beslissing niet kan dragen, als het bij die beslissing ingenomen standpunt met de wet in strijd is. S. B. vat dit, naar het schijnt terecht, zoo op dat volgens gemeld arrest een motiveering, die niet kan leiden tot de daarop gebouwde beslissing, toch slechts dan vatbaar is voor cassatie, als ook de beslissing zelf strijdt met de wet. Terecht m. i. meent S. B. dat een motiveering zonder redelijk verband met de beslissing niet aan art. 20 voldoet. Maar dan is het vonnis of arrest te casseeren wegens strijd met art. 20, al strijdt het niet met een andere wetsbepaling. Ook in dat geval kan de beslissing partij ten onrechte benadeelen, zoodat het niet een louter formalisme is te hechten aan de naleving van art. 20. Ygl. nog Star Busmann Hoofdst" IV no. 400.

Yan de R. O. p. 174 geciteerde dissertatie van Witteman vgl. nog p. 99 v. o. 100 v. b., 101—103 v. b. — Bij Witteman p. 31-82 en p. 83 vgl. R. O. p. 674 no. 1196. — Dat de rechter niet behoeft te motiveeren, waarom hij van zekere bevoegdheid geen gebruik maakt, besliste H. R. 22 Juni 1923 W. 11115 p. 1 kol. 1—2.

P. 174 reg. 10 v. o. — Na „zie H. R." in te voegen: 6 Juni 1924 W. 11277, N. J. 1924 p. 863, 4 April 1924 W. 11228, N. J. 1924 p. 561; 24 Jan. 1924 W. 11220 p. 1—2, N. J. 1924 p. 371; 17 Jan. 1924 W. 11218, N. J. 1924 p. 379;

P. 175 al. 1 i. f. — Toevoeging: Bij H. R. 5 Jan. 1923 (R. O. p. 174 v. o.) zie ook H. R. 21 Sept. 1923 W. 11125, N. J. 1923 p. 1279 en, met strenger eisch voor de motiveering, H. R. 14 April 1927 W. 11664 p. 2—3 (met noot Mff.), N. J. 1927

Sluiten