Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

BIJ

P. 191.

A. Vordering, niet vorderingsrecht maatstaf -voor competentie en appellabiliteit.

P. 191 reg. 2 v. o. — Toevoeging: Vgl. naar aanleiding van art. 54 no. 2, Hof Leeuwarden 11 Jan. 1928 W. 11871, N. J. 1929 p. 70. Eveneens voor de appellabiliteit Rb. 's-Hertogenbosch 24 Juni 1863 W. 2495 en 2698: het is onverschillig of eischer meer heeft gevorderd dan waarop hij recht heeft, enkel om het vonnis vatbaar te maken voor hooger beroep. Vgl. bij R. O. p. 192 reg. 14 v. o.

P. 192 reg. 1 v. b. — Na „330" in te voegen: en 22 April 1926

W. 11659, N. J. 1927 p. 82 P. 192 reg. 11 v. b. — Na „346" in te voegen: Rb. Roermond

6 Nov. 1924 N. J. 1925 p. 800 P. 192 reg. 13 v. b. — Na „9073;" in te voegen: vgl. Ktg. Assen

12 Febr. 1925 W. 11403 P. 192 reg. 14 v. o. — Toevoeging: Rb. Amsterdam 19 Juni 1925 W. 11393 nam op den regel dat de absolute bevoegdheid deiRechtbank enkel naar de dagvaarding is te beoordeelen en aanwezig is als de vordering meer dan f 200 beloopt, als een van zelf sprekende uitzondering aan het geval eener willekeurige verhooging van den eisch boven de ƒ 200 om de Rechtbank bevoegd te maken. Uit R. O. p. 194—197 (nos. 3—4) en p. 206 (no. 4a) volgt dat de Rechtbank ongelijk had. Vgl. R. O. p. 365 no. 21a i. f. en bij R. O. p. 191 reg. 2 v. o. P. 192 reg. 1 v. o. — Toevoeging: Bij het van dit vonnis van 1921 eerst aangehaalde vgl. Rb. Amsterdam 20 Maart 1925 W. 11359 ten aanzien der relatieve bevoegdheid: te letten is niet enkel op de dagvaarding, maar ook op de conclusies. — Voor de vraag of een vordering betrekkelijk is tot een arbeidscontract overwoog Rb. Alkmaar 29 Okt. 1925 W. 11589, N. J. 1926 p. 692 dat die vraag is te beantwoorden naar de bij dagvaarding gestelde feiten.

P. 194 no. 2 i. f. — Toevoeging: li. Vgl. Rb. Amsterdam 12 Febr. 1926 W. 11519, N. J. 1926 p. 401.

Léon's Rspr., II, 1, R. O., 2e ged. s. 3

Sluiten