Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Bij

P. 209.

op termijnen geheel of voor een gedeelte, zoodat haar voorwerp niet enkel is eischers recht op terugbetaling en het door hem ontkende recht van gedaagde op den teruggevorderden termijn, maar tevens gedaagdes recht op andere eventueele termijnen, met gevolg dat ook voor die andere termijnen toewijzing der terugvordering de bindende ontkenning zou inhouden, dus gezag van gewijsde hebben, dat met vrucht zou worden tegengeworpen aan een latere vordering tot betaling van een anderen termijn. Dit geval is niet geheel gelijk aan het bovenstaande der accepten: bij termijnen is er geen sprake van een versterkte en een versterkende verbintenis. Maar toch is er tusschen de termijnen eveneens een onderling verband, van dien aard dat een tegengestelde zienswijs aan die van het Haagsche vonnis van 1925 is te verdedigen. Als men die tegengestelde zienswijs aanvaardt, dan is de waarde eener terugvordering gelijk hier bedoeld, onbepaald, hoewel beperkt tot het maximum, aangegeven door het geheel der in het gegeven geval in aanmerking komende termijnen. En dan is het ter beoordeeling der bevoegdheid van den Kantonrechter onverschillig dat op de terugvordering art. 38 no. 2 R. O. niet van toepassing is: vgl. bij R. O. p. 350. Het daar te citeeren arrest H. R. van 25 Febr. 1926 heeft enkel onderzocht of en terecht ontkend dat art. 38 no. 2 toepasselijk was, niet of de Kantonrechter wegens de waarde der vordering toch onbevoegd moest worden geacht. Maar omdat de H. R. den Kantonrechter toen uitdrukkelijk bevoegd heeft verklaard schijnt hij (als hij zich de kwestie voor oogen heeft gesteld) het zooeven uiteengezette stelsel niet te hebben willen huldigen. — Te vergelijken bij het bovenstaande is de overweging over het gezag van gewijsde en zijn invloed op de rechterlijke competentie, voorkomend in het arrest H. R. van 27 Jan. 1927, bij R. O. p. 351 no. 11 i. f. te citeeren, welk arrest echter geen betrekking had op een terugvordering. En er is op te wijzen dat, als de Hooge Raad blijft bij zijn in 1926 ingenomen standpunt ten opzichte van het gezag van gewijsde

Sluiten