Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Bij

P. 209.

der zuiver praejudicieele beslissingen (zie p. 37 v. o.), dat gezag a fortiori is aan te nemen in het geval van een vonnis op een terugvordering van een termijn, waar die vordering steunt op een ontkenning, die zich mede uitstrekt tot andere termiinen dan den nu teruggevorderden. — Een sterk sprekend voorbeeld van dit laatste levert de zaak, berecht door Ktg. Breda 10 Juli 1929 W. 12074, zie bij R. O. p. 378.

P. 211 no. 5 i. f. — Toevoeging: k. Zie de bij R. O. p. 206 vermelde vonnissen van 1926 van den Raad v. Justitie te Semarang.

P. 212 no. 6 i. f. — Toevoeging: en Ktg. Rotterdam, vonnissen van 30 Aug. 1926 en 28 Nov. 1927, bij R. O. p. 369 reg. 7 v. o. te vermelden.

P. 212 reg. 9 v. o. — Na „zin" in te voegen: Hof Amsterdam 24 Dec. 1926 W. 11619,

P. 213 no. 8a. — Na „503" in te voegen: jis p. 486—487

P. 213 reg. 2 v. o. — Toevoeging: Vgl. Bijvoet in W. 12017 p. 3—4 en daarbij W. 12027 p. 7.

P. 214 f i. f. — Toevoeging: Vgl. Ktg. Rotterdam 19Febr. 1926 W. 11510, N. J. 1926 p. 859, R. B. A. 14 p. 22: de vordering tot betaling van een wekelijksch pensioen sedert zekeren datum is van onbepaalde waarde. "Vgl. voorts Rb. Amsterdam 15 Jan. 1926 W. 11527, N. J. 1926 p. 1199 en in cassatie H. R. 19 Nov. 1926, te vermelden bij R. O. p. 344 als no. IA (vgl. bij R. O. p. 346 no. 3 onder c); zie ook R. O. p. 215 i en het daarbij te citeeren arr. Hof Arnhem van 1926.

P. 215 reg. 5 v. b. — Na „premies" in te voegen: Zoo ook Rb. Amsterdam 2 Juni 1924 W. 11371, N. J. 1926 p. 113; Rb. Rotterdam 16 Juni 1926 W. 11631, N. J. 1928 p. 929.

P. 215 reg. 1 v. o. — Toevoeging: Hof Arnhem 26 Okt. 1926 W. 11655, N. J. 1927 p. 683, was van oordeel dat de waarde eener vordering van drie maandelijksche lijfrentetermijnen, elk van f 60, is f 180. M. i. was de vordering van onbepaalde waarde. Tegen de motiveering van het Hof vgl. (analogisch)

Sluiten