Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

P. 225.

16 April 1925 W. 11487, N. J. 1925 p. 1040; Rb. Rotterdam 25 Okt. 1926 N. J. 1927 p. 1584, tevens overwegend dat de noodelooze kosten ten laste van eischer komen;

P. 225 reg. 3 v. o. — Na „Voorts" in te voegen: Rb. Alkmaar 7 Febr. 1924 N. J. 1924 p. 878;

P. 226 reg. 8 v. o. — Toevoeging: Tot een andere gevolgtrekking leidt de motiveering van Hof 's-Gravenhage 18 Febr. 1929 zie bij R. O. p. 221.

P. 227 reg. 13 v. b. — Na „Rechtbank" in te voegen: Als H. R. 7 April 1916 nog implicite H. R. 12 Jan. 1922 W. 10857, N. J. 1922 p. 340. Zoo ook voor de appellabiliteit naar art. 54 no. 2 Hof Amsterdam 13 Nov. 1923 N. J. 1924 p. 1231; Hof 's-Hertogenbosch 23 Febr. 1926 W. 11596 en voor de competentie van den Kantonrechter Rb. Tiel 28 Okt. 1927 W. 11736, N. J. 1928 p. 1331; Ktg. Assen 24 Dec. 1925 N. J. 1928 p. 433 (een geval analoog aan dat, berecl t door Rb. Rotterdam 26 Febr. 1919, R. O. p. 227 v. o. vermeld).

P. 228 reg. 14 v. o. — Na „454)." in te voegen: Vgl. voor een soortgelijke zaak als die van 1845—1846 Rb. Amsterdam 6 Jan. 1928 W. 11903, N. J. 1928 p. 1333, zich onbevoegd achtend voor een vordering tegen vier verzekeraars tot betaling samen van f 420, nu eischer die vordering hierop deed steunen dat hij verzekerd was tot een maximum van f 8000, bij elk gedaagde tot f 2000. Hieruit leidde de Rechtbank af dat niet één bedrag was gevorderd, terwijl ook het feit dat één contract de schuldoorzaak is, daar dit geen solidariteit meebrengt, zonder invloed is voor de beantwoording der vraag, of er één dan wel meer rechtsvorderingen zijn ingesteld. Dat laatste is juist (vgl. R. O. p. 230 v. b.), maar ook het stellen van een vorderingsrecht tegen elk gedaagde afzonderlijk is m. i. niet beslissend, al is het mogelijk dat dit hier wees op de bedoeling meerdere rechtsvorderingen in te stellen, gelijk de Rechtbank uit de dagvaarding afleidde. Daar deze t. a. p. niet is weergegeven, kan niet met zekerheid worden gezegd of de Rechtbank gelijk had.

Sluiten