Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Bij

P. 280.

P. 230 reg. 13 v. o. — Toevoeging: In den geest van het Amsterdamsche arrest van 1906 Hof 's-Hertogenbosch 12 Febr. 1929 N. J. 1929 p. 1039, van oordeel dat, hoewel eischer van twee gedaagden samen meer dan ƒ 400 had gevorderd, er twee vorderingen waren ingesteld, omdat er noch hoofdelijkheid, noch ondeelbaarheid was. Zie ook Rb Amsterdam 25 Juni 1928 W. 11892, N. J. 1928 p. 1404: een vordering tegen twee, buiten eenige gemeenschap gehuwde, echtgenooten ter betaling door hen samen van f 220 huur is ter competentie der Rechtbank, omdat — daargelaten dat voor 's rechters competentie beslissend is de vordering zooals zij is ingesteld — de verplichting van twee huurders tot betaling der huur ondeelbaar is. M. i. kwam het hier aan op het door de Rechtbank onder „daargelaten" aangevoerde, niet op de ondeelbaarheid, die de mogelijkheid niet uitsluit dat een eischer toch twee bedragen ieder minder dan f 200 opvordert, als ware de schuld deelbaar, in welk geval de Kantonrechter bevoegd zou zijn, al was dan de vordering wegens de splitsing niet ontvankelijk.

P. 230 reg. 7 v. o. — Star Büsmann 2e dr. p. 127.

P. 231 reg. 14 v. b. — Na „vordering" in te voegen: Als deze arresten ook Cass. 2 Maart 1921, R. O. p. 221 reg. 5 v. o. geciteerd.

P. 231 reg. 11 v. b. — Gaupp-Stein, vgl. Stein-Jonas 12e dr. I p. 49 v. o.

P. 231 reg. 5 v. o. — Na „532" in te voegen: Echter komt het hier ook aan op de vraag of één gezamenlijk bedrag is gevorderd dan wel evenveel bedragen als er kwaliteiten zijn, zie Rb. Amsterdam 25 Juni 1928 W. 11897. Vgl. voor het geval van meerdere eischers R. O. p. 237—238. — In plaats van „Vgl. ook" lees: Zie verder

P. 234 reg. 17 v. b. — Na „betwijfeld" in te voegen: Hof Amsterdam 11 Mei 1927 W. 11709, N. J. 1928 p. 50, was van meening dat, hoewel de eischer voor zich en o/ audeie aannemers, dus voor de 38 samen, f 3800 vorderde, meerdere

Sluiten