Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

tflj

P. 241.

elke van f 40 en ééne van f 20, alle zelfstandige rechtsvor deringen. In gelijken geest Rb. Haarlem 24 Dec. 1929 W. 12130, uit art. 129 lid 1 Rv. en artt. 53 en 54 no. 2 R. O. afleidend, dat objektieve cumulatie geen invloed beeft op de rechterlijke bevoegdheid. Dit omdat art. 129 Rv. spreekt van de vervulling „eener" persoonlijke verbintenis. Alsof „eener" noodzakelijk beteekent: ééner! De redeneering uit artt. 53 en 54 R. O. is een petitio principii. Met dit vonnis stemt de Rijke in W. 12130 p. 4 in. Hij en het Arnhemsche arrest houden blijkbaar rechtsvordering en schuldvordering niet uiteen. Anders dan de twee hier vermelde beslissingen, m. i. terecht, voor een terugvordering van meer dan f 200, samengesteld uit termijnen, elk van minder dan f 200, Rb. Rotterdam 5 April 1928 N. J. 1929 p. 136.

P. 241 reg. 10 y. o. — Toevoeging: Bij nadere overweging meen ik dat een vordering tot teruggaaf van twee geldsommen niet noodzakelijk behoeft in te sluiten den eisch tot betaling van beide in eens en daarom niet per se implicite is gericht op één prestatie, zoodat het Haagsche Hof in 1923 toch twee rechtsvorderingen mocht aannemen. — Dat deed ook Hof Arnhem 19 Jan. 1927 W. 11625, N. J. 1927 p. 1126, toen een faillissementscurator op grond derzelfde wetsbepalingen vorderde nietigverklaring van twee overeenkomsten en teruggaaf der ten gevolge dier overeenkomsten ontvangen bedragen, het eene boven, het andere beneden de f 200.

Rb. Amsterdam 2 Mei 1924 W. 11208 legde, ter beoordeeling harer competentie voor een vordering tot betaling van het bedrag van vijf orderbiljetten, elk minder dan f 200, doch samen daarboven, aan eischer het bewijs op zijner bewering dat de orderbiljetten waren afgegeven ter voldoening van één [schuld]vordering boven de f 200. De Rechtbank overwoog dat, werd dit bewezen, het zou toonen dat de vorderingen uit de orderbiljetten onderling verknocht waren. Door het bezigen van dit meervoud koos de Rechtbank partij voor de leer,

Sluiten