Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Bij

P. 241.

bestreden R. O. p. 240 v. o. Kennelijk deed dat ook Rb. Amsterdam 28 Nov. 1927 N. J. 1927 p. 1489.

P. 242 reg. 15 v. o. — Na „door" in te voegen: Hof NoordHolland 6 Mei 1858 W. 2002, R. B. 1860 p. 55;

P. 243 reg. 11 v. o. — Star Busmann 2e dr. p. 190.

P. 244 reg. 10 v. o. — Toevoeging: Zie nog Rb. Groningen 13 Jan. 1928 N. J. 1929 p. 73, appellabel achtend het vonnis op de door een kerkbestuur ingestelde vordering van omslagen over verschillende jaren, ieder beneden, doch samen boven het appellabele bedrag. Hier waren er geen termijnen, maar meerdere schuldvorderingen, ieder met een afzonderlijke, zij het aan elkaar gelijke, oorzaak, daar er elk jaar na nieuwen omslag een nieuwe schuld ontstaat. Toch was er één rechtsvordering.

P. 244 reg. 9 v. o. — Na „1—3" in te voegen: N. J. 1924 p. 458

P. 244 reg. 7 v. o. — Toevoeging: (5°) Speciaal naar aanleiding van art. 38 overwoog Rb. Amsterdam 3 Nov. 1924 W. 11298, N. J. 1924 p. 1187, dat, daar het artikel niet onderscheidt hoe het gevorderde bedrag is samengesteld, het onverschillig is dat van een geëischt bedrag van f 254.80, f 100 niet en de rest wèl is erkend. — Yoor de andere artikelen der wet R. O. geldt hetzelfde. Ygl. ook R. O. p. 200—202 (B no. 2 vóór art. 38) en hieronder (7°) i. f.

(6°) Rb. Middelburg 10 Dec. 1924 W.' 11307 besliste aldus: vordert eischer f 277, n.1. f 80 voor niet betaalde huur, f 197 als vergoeding van aan het verhuurde toegebrachte schade, dan is de vordering, als gegrond op niet-nakoming eener huurovereenkomst, boven de f 200. Er zijn niet ingesteld twee rechtsvorderingen, die niets met elkaar gemeen hebben.

(7°) Rb. 's-Hertogenbosch 14 of 24 Nov. 1924 N. J. 1926 p. 328 overwoog: de Rechtbank is bevoegd voor een vordering van f 1170, zijnde f 160 als pacht van landerijen en f 1010 als pacht van een jacht, bij afzonderlijke contracten verpacht,

Sluiten