Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

*>1J

P. 244.

zoodat ieder bedrag een afzonderlijke oorzaak heeft. De Rechtbank motiveerde dit niet met de waarde der vordering, maar met het argument dat er in eischers stellingen geen onderlinge tegenstrijdigheid was en beide partijen belang hadden bij de cumulatie. Echter betreft dit enkel het processueel geoorloofd zijn dier cumulatie. Het vonnis is bevestigd door Hof 's-Hertogenbosch 2 Maart 1926 W. 11607 op motief dat art. 38 R. O. aanhef en no. 1, niet onderscheidt hoe het gevorderde bedrag is samengesteld (vgl. boven 5°), zoodat de Rechtbank, als competent voor de geheele vordering, ook kon kennis nemen van het onderdeel over f 160. Dit strookt met het R. O. p. 240 gezegde.

(8°) Landraad Makasser 24 Okt. 1927 Ind. Tijdschrift v. h. Recht 131 p. 195 overwoog dat samenvoeging van meerdere van elkaar onafhankelijke rechtsvorderingen van denzelfden eischer tegen denzelfden gedaagde geen inbreuk vermag te maken op de voor elke dier vorderingen geldende competentieregelen. — Hoewel er toen meerdere rechtsvorderingen waren ingesteld, spreekt het dictum van „den eisch". Of de samenvoeging hier de meerdere rechtsvorderingen wel of niet in ééne had doen opgaan, blijkt niet uit het medegedeelde.

P. 245 e en f. — Gaupp-Stein, zie Stein-Jonas 12e dr. I p. 49. — Star Büsmann 2e dr. p. 90.

P. 246 reg. 4—5 v. b. — Gaupp-Stein, zie Stein-Jonas 12e dr. I p. 40 v. o. (4°) en p. 49.

P. 247 reg. 5 v. o. — Toevoeging: In den zin van het vonnis Ktg. Alphen van 1907 ook Ktg. Woerden 12 Nov. 1925 W. 11504, doch enkel omdat toen beide dagvaardingen betrekking hadden op de aanneming van werk voor eenzelfde huis, echter zóó dat de eene alleen de oorspronkelijke aanneming, de andere op zijn minst voor twee posten (volgens eischer ook voor den derden post) bijwerk bij die aanneming betrof. De Kantonrechter zeide nog dat in het geval van het stellen eener reeks van op zich zelf staande handelingen, zooals

Léon's Rspr., II, 1, R. O., 2e ged. s. 4

Sluiten