Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Bij

P. 280.

boven kon gaan, daaromtrent geen zekerheid bestond, nu de dag der betaling en dus ook de koers alsdan onzeker was. De gevolgtrekking uit deze jurisprudentie zal wel moeten zijn dat geen enkele eisch van vreemde valuta tegen den koers van den betalingsdag bij den Kantonrechter behoort. Is dat resultaat praktisch bevredigend ? Anders dan deze twee Amsterdamsche beslissingen voor gestabiliseerde Belgische frcs., m. i. terecht, Ktg. Breda 6 Maart 1939 N. J. 1930 p. 767. — Ygl. bij R. O. p. 281: e.

P. 280 tekst, reg. 2 v. o. Na „9791" in te voegen: In gelijken geest H. R. 4 April 1929 W. 12005 (met noot H. d. J., tegen wien zie bij R. O. p. 772 no. 272), N. J. 1929 p. 916, welk arrest overigens niet de waarde der vordering betrof.

P. 280 noot, reg. 8 v. o. — Na „gewijzigd" in te voegen: Vgl. Meijers en v. Praag in W. P. N. R. 2832, 2833, 2842. Zie nog o. a. Revue trim de droit civil 1929 p. 1097 no. 24, 1930 p. 126 no. 36.

P. 281 reg. 11 v. o. — Toevoeging: Bij de daar in noot 20 vermelde Duitsche litteratuur vgl. de latere jurisprudentie, geciteerd J. W. 1924 p. 711—712.

e. De Rechtbank is competent voor een vordering van buitenlandsche munt waarvan het onzeker is of de waarde in Ned. geld boven de f 200 is.

Rb. Rotterdam 17 Okt. 1924 W. 11295.— Dit vonnis wordt hier afzonderlijk vermeld, omdat men, in verband met de feiten van dit proces en de toen gevoerde beweringen kan twijfelen of de Rechtbank doelde op onzekerheid der waarde wegens gedaagdes bewering dat bij den door eischer voor de door hem verlangde schadevergoeding aangevoerden koers van den dag, waarop hij betaald had, de vordering minder dan f 200 bedroeg (daarbij ging gedaagde echter uit van hetgeen eischer in diens stelsel had moeten vorderen, terwijl maatstaf voor de competentie enkel het gevorderde is, zoodat het onwaarschijnlijk is dat de Rechtbank hierop doelde) öf wegens mogelijken

Sluiten