Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

BU

P. 281.

twijfel welke koers moest worden gevolgd (wat de rechter echter heeft uit te maken) öf wel wegens de noodzakelijke onbekendheid met den koers van den dag der toekomstige betaling (vgl. de bij R. O. p. 280 reg. 10 geciteerde Amsterdamsche jurisprudentie). — In Frankrijk zie Cass. 30 Dec. 1929 D. hebd. 1930 p. 67 i. v. m. het vonnis in eersten aanleg Rb. Seine 8 Febr. 1928 J. D. I. 1928 p. 694 met noot J. P. Hier was de introductieve dagvaarding uitgebracht vóór de stabilisatie van den Franschen franc.

f. Bij dit no. 53 vgl. Star Busmann, Hoofdst" 2e dr. p. 80 v. o.—81 v. b.

P. 282 reg. 4 v. b. — Na „9198" in te voegen: In gelijken zin de motiveering van H. R. 29 Okt. 1925 W. 11447, N. J. 1925 p. 1270, de cassatie verwerpend tegen Hof Amsterdam 16 Dec. 1924 W. 11314. De Hooge Raad was van meening dat eischer, door de schadevergoeding aan de ontbinding te koppelen, zijn belang bij de ontbinding schat op het bedrag der schadevergoeding. Mij ontgaat waarop die bewering steunt. De ProcureurGeneraal Tak zeide dat eischer het niet uitvoeren van het contract, dus de waarde daarvan, stelt op de verlangde schadevergoeding. Maar gaat het aan de waarde der vordering tot ontbinding, het hoofddeel van het petitum, als zoodanig gericht op niet-uitvoering van het contract, gelijk te stellen met het bedrag der geëischte schadevergoeding? Dat petitum bestaat hier toch uit twee deelen, waarvan het eene niet in het andere opgaat. En de vroegere niet-uitvoering, die schade heeft veroorzaakt, mag niet worden vereenzelvigd met het niet uitvoeren door de vordering tot ontbinding beoogd.

P. 283 reg. 1 v. o. — Toevoeging: Vgl. nog Star Busmann, Hoofdst" 2e dr. p. 81. — Uit Rb. Rotterdam 27 Juni 1924 W. 11256, N. J. 1925 p. 792, is niet op te maken welk stelsel is gevolgd, maar de Rechtbank verwierp dat van Faure. — Rb. Amsterdam 31 Okt. 1924 W. 11308, N. J. 1925 p. 16, overwoog dat niet de waarde van het bij dagvaarding gestelde

Sluiten