Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Bil

P. 285.

P. 285 reg. 7 v. o. — Toevoeging: zie nog den brief van den Hoogen Raad aan den Min. v. Just. van 20 Dec. i. v. m. dien van zijn Procureur-Generaal van 13 Dec. 1926, beide in W. 11603 p. 2.

P. 287—288 E. Appellabiliteit in eigenlijke rechtspraak buiten de wet R. O.

No. 1 (2°) vervalt ten gevolge der wijziging van de Armenwet bij wet 1929 Stbl. 326, zie nu art. 67, 2° Armenwet.

F. Appellabiliteit van beschikkingen in burgerlijke zaken.

P. 289 reg. 15 v. b. — Na „1923" in te voegen: Hof Arnhem 27 April 1927 W. 11708, N. J. 1927 p. 1539 (mede met het oog op de in artt. 345 lid 2 en 821 lid 2 Rv. gestelde termijnen) en

P. 289 reg. 9 v. o. — Na „1923" in te voegen: naar aanleiding van artt. 876 vv. Rv. H. R. 8 Okt. 1925 W. 11442, N. J. 1925 p. 1221; naar aanleiding van art. 169 B. W. en art. 345 lid 2 Rv. H. R. 14 Aug. 1925 W. 11432, N. J. 1925 p. 1212 en

P. 290 reg. 3 v. b. — Na „uitsloot" in te voegen: Vgl. Hof Amsterdam 26 Sept. 1929 N. J. 1930 p. 14 aangaande artt. 7 lid 3 en 302 Rv.: het al dan niet verkorten van den termijn tot dagvaarding wegens spoed is geheel den President (of den Kantonrechter) overgelaten; dus is zijn beslissing niet appellabel, ook niet als zij de verkorting weigert.

P. 290 reg. 3 v. o. — Na „489" in te voegen: oud (zie nu art. 496)

P. 290 reg. 2 v. o. —Toevoeging: Zie voorts voor een machtiging tot het opslaan eener lading onder een derde (art. 487 lid 2 oud W. v. K., vgl. nu artt. 493, 496) H. R. 14 Okt. 1926 (contra O. M.) W. 11587 (met noot Mff.), N. J. 1926 p. 1345 met noot E. M. M.) in het algemeen overwegend dat niet appellabel is de beschikking op een verzoek tot rechterlijke machtiging, die moet steunen op het voorloopige oordeel dat er voldoende grond bestaat voor de handeling, door den aanvrager wenschelijk geacht. — E. M. M. 1. 1. wijst er op dat de formuleering van den Hoogen Raad te ruim is, daar ook de in

Sluiten