Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

«IJ

P. 822.

den eisch in conventie bevestigd door Hof Leeuwarden 18 Sept. 1879 W. 4431, R. B. 1879 D. p. 69, op het R. O. p. 321 vermelde punt overwegend dat de verplichting tot betaling bestond voor de gegraven turf, dus nadat onroerend goed roerend was geworden, terwijl die verplichting ophield met de vergraving van het veen, waarna de bodem vrij was. — Vgl. nog Ktg. Winschoten 23 Mei 1876 W. 4057, overwegend dat een zakelijke schuldplichtigheid van passagegeld niet bestaat. Telders 1. 1. p. 207 v. o.—208 vermeldt nog een arrest Hof Groningen van 23 April 1864.

19 A. Het in art. 504 Ind. Rv. [zie ons art. 502] bedoelde beslag vestigt een zakelijken last.

Raad v. Justitie Batavia 14 Sept. 1923 Ind. Tijdschr. v. h. Recht 120 p. 380—381.

P. 322 reg. 8—7 v. o. — Star-Bdsmann 2e dr. p. 164—171. — Hierna in te voegen: H. d. J. in W. 11927 p. 5—6.

P. 324 no. 21 i. f. — Star Busmann 2e dr. p. 171.

P. 325 reg. 6 v. b. — Suyling I, 2, 2e dr. p. 27.

P. 326 reg. 6 v. b. — Na „102)." in te voegen: Vgl. Oudeman, 4e dr. III p. 115: het is een zakelijke vordering. Tegen beide S. B. in W. 11883, noot op H. R. 29 Juni 1928.

P. 329 no. 33 i. f. — Suyling, I, 1, 2e dr. p. 83 v. o.—84 v. b. — Toevoeging: Vgl. Eggens in W. P. N. R. 2999—3000: het is een hoogst persoonlijk recht.

P. 330 reg. 1 v. b. — Na „Maastricht" in te voegen: 27 Sept.

1928 N. J. 1929 p. 1201,

P. 330 reg. 9 v. b. — Na „30 in te voegen: Hof Amsterdam 18 Febr. 1925 W. 11350 (vordering van een eigenaar tot teruggaaf van het in bruikleen gegevene)

P. 333 reg. 2 v. o. — Na „4430;" in te voegen: Rb. Maastricht 26 Jan. 1928 W. 11858, N. J. 1928 p. 1114 (het in art. 673 B. W. bedoelde recht van uitwatering is zakelijk)

P. 334 reg. 4—3 v. o. — Asser-Mëijers, 3e dr. (1930) p. 373—377.

Sluiten