Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

P. 844.

de vordering nog slechts als mogelijkheid meebracht, n.1. belang bij een bindende beslissing over meer dan het bedrag der verlangde veroordeeling (vgl. hieronder het vonnis der Rechtbank). — Dat de wet R. O. „waarde" en „beloop" der vordering in éénzelfde beteekenis bezigt, is historisch aan te toonen, zie R. O. p. 205 v. b., de verwijzing naar R. Mag. 1922 p. 456—457.

Gemeld arrest van 1926 verwierp het beroep in cassatie, ingesteld tegen Rb. Amsterdam 15 Jan. 1926 W. 11527, N. J. 1926 p. 1199 (contra O. M., dat voor onbevoegdheid van den Kantonrechter naar art. 38 als vereischte stelde het vaststaan dat de hoofdsom boven de f 200 is). De Rechtbank hield den Kantonrechter voor onbevoegd, nu gedaagde den rechtstitel betwistte en eischer niet aantoonde dat hij krachtens dien titel nooit meer dan f 200 kon vorderen. Want zij nam als ratio van art. 38 no. 2 aan dat, blijft het belang der vordering niet beperkt tot het bij dagvaarding gestelde, doch tengevolge van het verweer wordt, beoordeeling van den betwisten rechtstitel noodig, de Kantonrechter slechts dan mag beslissen, als dat belang de f 200 niet te boven gaat. Deze motiveering is in den geest van het R. Mag. 1923 t. a. p. gezegde.

P. 345 al. 1 i. f. — Star Busmann le dr. p. 80 (niet 79), 2e dr. p. 83.

P. 345 reg. 18. — Na „615" in te voegen: In gelijken geest Rb. Amsterdam 18 .Tan. 1926 N. J. 1926 p. 1312: art. 38 no. 2 ziet op alle gevallen, waarin een termijn wordt gevorderd, die samen met nog andere, dadelijk of later verschuldigde termijnen, meer dan f 200 bedraagt. Ygl. dit vonnis ook bij R. O. p. 346 no. 4.

P. 345 reg. 14 èn 1 v. o. — Toevoeging: Het bij R. O. p. 285 no. 57 vermelde pacht-ontwerp schrapt wegens het daarbij voorgestelde art. 39 lid 2 de pachten in art. 38 no. 2.

P. 346 no. 3a i. f. — Toevoeging: Rb. Amsterdam 1 Maart 1926 N. J. 1927 p. 83 (betreffende een coupon eener obligatieleening) bezigde het woord „rente" overeenkomstig het gewone spraakgebruik in den zin, dien het woord „interessen" in art. 38 no. 2 heeft. Tegen dit vonnis is het beroep in cassatie verworpen

Sluiten