Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

till

P. 846.

door H. R. 13 Jan. 1927 W. 11622, N. J. 1927 p. 690 (met noot P. S.), als volgt overwegend. Al is in den regel de rechtmatige houder van een aan toonder luidende coupon eener obligatie in een geldleening bevoegd de betaling van een coupon te vorderen van den daarin uitgedrukten schuldenaar, toch is dit een betaling van interessen eener hoofdsom, bedoeld in art. 38 no. 2, welke bepaling algemeen is en dus geldt, onafhankelijk van den vorm, waarin de interessen betaalbaar zijn gesteld. — Ygl. t. a. p., behalve de concl. O. M. vóór het arrest, de beweringen van eischer in cassatie, die m.i. niet juist waren, omdat een vonnis van den Kantonrechter den obligatiehouder zou binden in het geval dat obligatie èn coupon in zijn hand vereenigd waren of kwamen.

c. Een pensioentermijn is een termijn eener rente in den zin

van art. 38 no. 2.

H. R. 19 Nov. 1926, bij R. O. p. 344 geciteerd. Ygl. het daar mede vermelde vonnis a quo van Rb. Amsterdam, welk vonnis liep over een vordering tot betaling van vier maal ƒ 7, dus f 28, volgens eischer door gedaagde ten onrechte gekort op eischers contractueel levenslang pensioen van f lo per week.

Gedeelten van inschulden.

P. 346 reg. 16 v. o. — In plaats van „22" lees: 23.

p. 346 no. 4 i. f. — Toevoeging: Zie nog Hof 's-Hertogenbosch 23 Febr. 1926 W. 11596: de eisch tot betaling van f 35.70 als gedaagdes aandeel, namelijk één vierde der pacht over één jaar van een voor zes jaar tegen f 140 'sjaars gepacht jachtveld, vordert het opeiscbbaar deel eener beweerde inschuld, die in haar geheel f 214.20 zou zijn. — Blijkens het W. had eischer eerst gedagvaard voor het Kantongerecht te Roermond, dat zich incompetent had verklaard op overweging dat de rechtstitel was betwist en dat de vordering betrof een gedeelte eener inschuld van meer dan f 200. Bij het Hof kwam enkel de appellabiliteit van het vonnis der na bedoelde incompetentverklaring geadieerde Rechtbank ter sprake (vgl. bij R. O.

Sluiten