Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Ö1J

P. 346.

p. 227). Zie ook het bij R. O. p. 345 reg. 18 vermelde vonnis Rb. Amsterdam van 18 Jan. 1926, betreffende een vordering van f 75 als de helft der jaarlijks te betalen f 150 voor een vergunning om gedurende vijf jaar op eischers land te jagen. P. 346 reg. 10 v. o. — Na „1855" in te voegen: vooral ook dat

van Rb. Amsterdam 18 Jan. 1926 (zooeven vermeld) P. 346 reg. 4 v.o. —Toevoeging: 5A. Is er een provisievordering ingesteld en bestaat de (hier door eischer erkende) mogelijkheid dat er in de toekomst nog verdere provisie zal zijn te vorderen, waarvan het bedrag niet is te bepalen, dan is er een vordering van een gedeelte eener grootere inschuld van onbepaalde waarde.

Ktg. Amsterdam 14 Maart 1929 W. 12008, N. J. 1929 p. 1015. P. 347 reg. 16 v. b. — Na „9164" in te voegen: en 2 Juni 1924 W. 11371, N. J. 1926 p. 113; Rb. Rotterdam 16 Juni 1926 W. 11631 p. 6, N. J. 1928 p. 929 P. 349 reg. 14 v. b. — Toevoeging: Ygl. nog in den zin van van R. Mag. 1. 1. de concl. O. M. vóór H. R. 19 Nov. 1926, bij R. O. p. 344 geciteerd.

P. 350 reg. 12 v. o. — Toevoeging: 10 A. Bij een terugvordering van f 195.30, zijnde negen maal f 21.70 elke maand te veel betaalde huishuur, voor welke vordering de oorspronkelijk gedaagde in appèl de bevoegdheid van den Kantonrechter ontkent op grond dat eischer voor zooveel meer maanden te veel zou hebben betaald dat hij een bedrag van meer dan f 400 had kunnen terugvorderen, heeft eischer niet een gedeelte eener som boven de f 200 gevorderd. Immers heeft de betaling te veel van elke f 21.70 telkens een zelfstandige vordering tot terugbetaling doen ontstaan, zoodat eischer in één dagvaarding negen zelfstandige vorderingen van f 21.70 heeft gecumuleerd. De Kantonrechter is dus bevoegd.

H. R. 25 Febr. 1926 W. 11480, N. J. 1926 p. 361, met noot 2 E. M. M., die zegt: deze juiste beslissing van den Hoogen Raad toont dat de bedoeling van art. 38 no. 2 niet volledig is bereikt, daar de huurder nu een anderen rechter bevoegd

Sluiten