Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

«IJ

P. 351.

accepten betaald zijn en verder tegen de vordei'ing aanvoert dat zij een ongeoorloofde oorzaak (woeker) heeft, dan volgt er uit het verweer van gedaagde een zoo nauw verband tusschen de borgtochten voor de tien orderbiljetten dat dit verweer zich ook uitstrekt tot den borgtocht over de andere biljetten. Daardoor zou de beslissing op het gevoerde verweer gezag van gewijsde hebben ten aanzien van het aval der andere biljetten. Dit brengt mee dat naar art. 38 die borgtochten onderling moeten worden beschouwd als deelen van de schuld, aangegaan door den avallist, die zich borg had gesteld voor de nakoming der geheele verbintenis van den hoofdschuldenaar. Dus tastte het verweer de verbintenis in haar geheel aan en betwistte het den rechtstitel naar art. 38. Is gedaagdes voorstelling dat er nog slechts vier biljetten betaald zijn, juist, dan is dus de Kan tonrechter onbevoegd.

H. R. 27 Jan. 1927 W. 11639, N. J. 1927 p. 1084, de cassatie verwerpend tegen Rb. Amsterdam 19 April 1926 W. 11558, N. J. 1927 p. 83. De Rechtbank bad overwogen dat de voorstelling van gedaagde wel door eischer werd ontkend, maar niet dadelijk ongegrond bleek (wat aanleiding geeft tot de vraag of dit voldoende is om geheel af te gaan op de onbewezen voorstelling van gedaagde), dat er naar die voorstelling te beslissen viel over een deel eener inschuld van in hoofdsom f 425 en waarvan de rechtstitel is betwist, terwijl de accepten waren afgegeven tegen overgifte der geleende f 425 bij wijze van verdeeling der terugbetaling daarvan, dus niet als schuldvernieuwing, zoodat zij niet los van elkaar konden worden onderzocht, wat de Kantonrechter in eersten aanleg ten onrechte had aangenomen. — In cassatie kon de Hooge Raad niet onderzoeken inhoever de Rechtbank terecht zich aan de voorstelling van gedaagde had gehouden. Maar volgde daaruit dat hij moest doen als had de Rechtbank hierin juist gehandeld? Zie daarover bij R. O. p. 815. — Bij deze zaak van 1926—1927 vgl. het vonnis van Rb. 's-Gravenhage van 8 Jan. 1924, bij R. O. p. 209 geciteerd, gewezen op een terugvordering van twee betaalde accep-

Sluiten