Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

BIJ

P. 357.

Was er in bovenstaande zaken sprake van een reduktie der schuldvordering, zoodat daarin de vraag kon worden gesteld, of er desniettemin toch een gedeelte eener nog bestaande grootere schuldvordering werd opgeëischt, dat is geen vraag, als eischer stelt meer dan ƒ 200 te vorderen te hebben, maar enkel zijn rechtsvordering beperkt tot f 200. Dan is er zeer zeker een gedeelte gevorderd eener beweerde inschuld van meei dan f 200. Zie R. O. p. 358 v. b. (b). Dit geval deed zich b. v. nog voor in de bij R. O. p. 352 reg. 7 v. b. vermelde zaak, waarin Ktg. Assen 31 Maart 1927 vonnis wees en ook in die, berecht door Ktg. Amsterdam 16 Febr. 1929 N. J. 1929 p. 1737 (waarin de Kantonrechter het ten onrechte overbodig vond zijn competentie ambtshalve te onderzoeken).

Of eischer zijn schuldvordering had gereduceerd dan wel enkel zijn rechtsvordering had beperkt tot f 200, was twijfelachtig in het proces voor Ktg. Rotterdam, vonnis van 12Nov. 1928 W. 11929, N. J. 1928 p. 1621. De Kantonrechter ontkende

dat er een gedeelte was gevorderd, maar overwoog (m.i. hiermee

in strijd) toch dat het niet afdeed of eischer gebonden was door zijn beperking, nu hij niet stelde dat gedaagde er genoegen mee nam (wat eischer overigens m. i. bij repliek wèl had gesteld, aanvoerend dat gedaagde zich bij zijn verwering op compensatie had beroepen, wat de Kantonrechter zonder belang achtte). Verder meende de Kantonrechter dat eischer bij een latere opvordering van hetgeen hij nu niet eischte niet ontvankelijk zou zijn wegens zijn beperking in het eerst gevoerde proces. Deze meening gaat zeker niet op, als men, wat de Kantonrechter niet deed, uitgaat van het standpunt dat eischer slechts zijn rechtsvordering had beperkt, daar een eischer een gedeelte van nog bestaande deelbare 1) schuld mag vorderen en

1) Of in de zaak, berecht door Ktg. Breda 26 Sepf. 1928 N. J. 1930 p. 358 de Kantonrechter terecht ondeelbaarheid aanwezig achtte is een vraag, die niet hoeft te maken met de competentie. Wat deze betreft was bedenkelijk zijn overweging dat gedaagde er belang bij had dat de rechterlijke bevoegd-

Sluiten