Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Bij

P. 367.

aannemen der engere beteekenis van het woord inschuld, zoo als het R. O. p. 367 vermelde vonnis van 1894 die aannam, de Kantonrechter toch onbevoegd was. Met het oog hierop behoudt deze beslissing, al kan het geval zich niet meer zoo voordoen, belang voor andere salarissen dan die van ambtenaren, ook na geheele invoering der Ambtenarenwet 1929.

P. 368 reg. 17 v. o. — Toevoeging: 25 A. „Hoofdsom" in art. 38 no. 2 is niet het oorspronkelijk verschuldigde, maar het overschot daarvan.

Rb. Breda 5 Mei 1925 N. J. 1926 p. 179. — Vgl. R. O. p. 354 no. 14.

P. 369 reg. 17 v. o. — Na „345;" in te voegen: Rb. Haarlem 12 April 1927 N. J. 1928 p. 927; Rb. Rotterdam 7 Nov. 1927 N. J. 1928 p. 473;

P. 369 reg. 14 v. o. — Na „no. 23" in te voegen: Vgl. nog Ktg. Rotterdam 30 Aug. 1926 en 28 Nov. 1927 N. J. 1927 p. 1493 en 1495 (verbet, p. 1536), beide vonnissen in dezelfde aangelegenheid gewezen: de vordering tot nietigverklaring eener huur van f 40 's maands en schadevergoeding van ruim f 42, kon hier slechts doelen op ten hoogste één maand van het door eischer aangevallen contract, ook al mocht dit jaarhuur hebben bepaald, daar er voor de rest minnelijke schikking had plaats gehad.

P. 370. Mits de rechtstitel niet worde betwist.

P. 371 no. 30 i. f. — Toevoeging: Zie nog de overweging van H. R. 19 Nov. 1926 (bij R. O. p. 344 geciteerd) over de bedoeling van art. 38 no. 2 te onderscheiden tusschen een rechtsstrijd enkel over een termijn beneden de ƒ 200 en een rechtsstrijd, die tengevolge betwisting van den rechtstitel loopt over meer dan f 200.

P. 371. 31—45 A. Rechtstitel.

P. 371 reg. 1 v. o. — Na „Amsterdam" in te voegen: 18 Jan. 1926 N. J. 1926 p. 1312,

P. 372 reg. 2 v. b. — Na „vermeldt" in te voegen: Rb. 's-Gravenhage 29 Juni 1925 W. 11487, implicite (zie bij R. O. p. 378)

Léon's Rspr., II 1, R. O., 2e ged. s. g

Sluiten