Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Bij

P. 372.

P. 372 reg. 4 v. b. — Na „Rotterdam" in te voegen: 15 Nov. 1928 W. 11984, N. J. 1929 p. 250 (op dit punt als het vonnis a quo, Ktg. Rotterdam 23 Aug. 1927 N. J. 1. I., zie bij R. O. p. 375) en

P. 372 reg. 6 v. b. — Na „p. 107" in te voegen: Ktg. Amsterdam

24 Sept. 1929 W. 12122, 28 Jan. 1927 N. J. 1928 p. 18;

P. 372 reg. 7 v. b. — Na „3285;" in te voegen: Ktg. Breda 10 Juli 1929 W. 12074 (over de inconsequentie in dit vonnis zie bij R. O. p. 378);

P. 372 reg. 10 v. b. — Na „5012" in te voegen: Ktg. Zwolle

25 Okt. 1927 N. J. 1928 p. 995;

P. 372 reg. 13 v. o. — Na „Amsterdam" in te voegen: 2 Juni

1924 (zie bij R. O. p. 373) en

P. 372 reg. 7 v. o. — Na ,,'s-Gravenhage" in te voegen: 19 Juni

1925 W. 11505

P. 373 reg. 13 v. b. — Na „vermeld" in te voegen: Ktg. Zwolle 25 Okt. 1927 N. J. 1928 p. 995: bij beroep op een bevrijdend feit na erkenning van den grondslag der vordering is er geen betwisting van den rechtstitel.

P. 373 reg. 14 v. b. — Na „door" in te voegen: Rb. Amsterdam 2 Juni 1924 W. 11371, N. J. 1926 p. 113 (de bewering dat de door eischer gestelde verzekering sedert is geannuleerd is betwisting van den rechtstitel);

P. 373 reg. 15 v. b. — Na „Ktg. 's-Gravenhage" in te voegen:

19 Juni 1925 W. 11505 (bij R. O. p. 367 vermeld) en P. 375 reg. 10 v. o. — Toevoeging: Rb. Rotterdam 15 Nov. 1928 (met het op dit punt bevestigde vonnis boven geciteerd bij R. O. p. 372 reg. 4 v. b.) nam in het algemeen aan dat de

bewering van een gedaagde bij den Kantonrechter dat hij bij een Rechtbank (hier die te Amsterdam) een vordering heeft ingesteld tot ontbinding der overeenkomst (van dading), op welke eischei zijn vordering bij den Kantonrechter doet steunen, niet is betwisting, maar erkenning van het bestaan der overeenkomst, dus van den rechtstitel. In deze aangelegenheid was de vordering

Sluiten