Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

tflj

P. 375.

tot ontbinding ingesteld ongeveer zes weken na het vervallen van den bij den Kantonrechter opgevorderden maandelijkschen termijn van f 125, terwijl het contract over "twee jaar liep. Maar hierop beriepen zich voor de beantwoording der competentievraag noch de Kantonrechter, noch de Rechtbank. Vgl. de R. O. p. 374 vermelde procedure van 1883—1884, waarin het wèl was geschied, doch volgens den Hoogen Raad toen ten onrechte.

P. 378 reg. 2 v. b. — Toevoeging: c. Als eischer, stellend van gedaagde te hebben gehuurd een woning annex pakhuis en dat gedaagde den huurprijs in strijd met de wet heeft verhoogd, den hierdoor te veel betaalden huurprijs (f 187) terugvordert, waarop gedaagde, ontkennend dat woning en pakhuis één geheel zijn, beweert enkel de huur van het pakhuis te hebben verhoogd, wat geoorloofd was, dan is dit een betwisting van den rechtstitel, die niet enkel bestaat in de vaststaande huurovereenkomst met huurverhooging, nu eischers aanspraken mede steunen op den aard van het gehuurde en de hierop betrekkelijke wetsbepalingen.

Rb. s-Gravenhage 29 Juni 1925 W. 11487, gewezen naar aanleiding der nu vervallen Hu urcom missie wet. Implicite merkte de Rechtbank als rechtstitel aan het complex van rechtsfeiten, die ten grondslag liggen aan de door eischer gestelde rechtsverhouding. Ook als men eischers beweerd recht op teruggaaf van het volgens hem onverschuldigd betaalde den rechtstitel noemt, was de beslissing der Rechtbank, de motiveering daargelaten, juist.

cl. Als eischer stelt met een vereeniging te zijn overeengekomen onder voorwaarde dat al zijn plaatselijke vakgenooten tot de overeenkomst zouden toetreden, tot verhaal van eventueel op te leggen boeten veertig wekelijksche stortingen, elk van f 7.50 (dus samen f 300) te doen, dat hij zeven en twintig van die stortingen (dus/* 192.50) heeft gedaan, maar dat gezegde voorwaarde niet is vervuld, op grond waarvan hij de f 192.50

Sluiten