Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

BIJ

P. 402.

5 Okt. 1926 W- 11782, N. J. 1927 p. 839, R. B. A. 15 p. 83; vgl. ook Rb. Rotterdam 9 Maart 1926 W. 11567, R. B. A. 14 p. 82.

P. 402 reg. 8—7 en 6—5 v. o. — v. Rossem 3e dr. I p. 238 (3°); Star Busmann 2e dr. p. 86 (iraplicite).

P. 403 al. 1 i. f. — Toevoeging: Heeft de eigenaar eener affaire op één dag twee contracten met een vennootschap gesloten, het eene tot overdracht der affaire met concurrentieverbod, het andere tot zijn in dienst treden bij die vennootschap, dan is er wel onderling verband tusschen die contracten, maar niet één overeenkomst in den zin van art. 1637 c B. W. en is dus art. 1637 x niet toepasselijk op het concurrentieverbod. De op overtreding daarvan steunende vordering valt niet onder art. 39 no. 3.

Rb. Maastricht 14 Jan. 1926 N. J. 1926 p. 1307.

Naar aanleiding van art. 39 no. 3 in verband met art. 1637 c lid 1 B. W. zie nog Rb. 's-Gravenbage 30 Juni 1925, bij R. O. p. 419 c i. f.; vgl. ook bij p. 415 reg. 2 v. o. (Ktg. Zaandam 18 Febr. 1926).

P. 403 al. 3 i. f. — Na „Vgl." in te voegen: Rb. Groningen 27 Nov. 1925 W. 11519, N. J. 1926 p. 842, R. B. A. 14 p. 92.

P. 404 reg. 7 v. o. — Toevoeging: Zie ook Rb. Rotterdam 2 April 1928 W. 11849, R. B. A. 16 p. 71, betrekking hebbend op art. 1637 z lid maar gemotiveerd voor het geheele artikel. - Voor lid 2 geldt het bij R. O. p. 73 aangeteekende.

P. 405 reg. 8 v. b. — Na „Rotterdam" in te voegen: 2 April 1928 (bij R. O. p. 404 geciteerd).

P. 406 al. 1 i. f. — Toevoeging: Aangaande een vordering uit een voorloopige overeenkomst tot het sluiten van een contract als in art. 394 W. v. K. bedoeld, zie Hof 's-Gravenhage 14 Maart 1927 bij R. O. p. 422 no. 21 D.

P. 406 reg. 7 v. o. — Toevoeging: Art. IV van het nu door de Eerste Kamer aangenomen wetsontwerp schepelingen doet art. 1637 z lid 1 B. W. vervallen. Evenals die bepaling

Sluiten