Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Bij

P. 482.

eigenaar bij het instellen zijner vordering tot ontruiming, dan is hij daarin niet ontvankelijk.

P. 432 reg. 4 v. o. — Toevoeging: Ygl. op dit artikel Cno. la.

P. 433 reg. 8 v. b. — Na „p. 60 (implicite)" in te voegen: Pres. Rb. 's-Gravenhage 23 Mei 1923 W. 11195, R. B. A. 12 p. 52 (ook implicite) en uitdrukkelijk Pres. Rb. Rotterdam 21 Febr. 1924 W. 11243, R. B. A. 12 p. 101.

B. Te berde brengen.

P. 435 reg. 12 v. b. — Toevoeging: 2A. Te berde brengen in art. 41 is niet een bloot in rechte overleggen. Dat overleggen van of zich beroepen op een akte moet zijn vergezeld van een behoorlijk gemotiveerd verweer ten betooge dat en waarom de huur niet is geëindigd. Somtijds is voldoende overlegging met mededeeling dat uit het stuk blijkt van verlengde huur, maar dat is niet het geval, als dit ingevolge het contract uit het overgelegde stuk niet kan blijken.

Ktg. Rotterdam 26 Maart 1926 N. J. 1926 p. 961 (wat de beslissing betreft, bevestigd door Rb. Rotterdam 28 Juni 1926 N. J. 1928 p. 65, zie bij R. O. p. 438 reg. 4 v. b.). — De Kantonrechter zocht de oplossing eerst in een interpretatie van te berde brengen, maar liet daarna terecht den nadruk vallen op hetgeen het te berde gebrachte stuk al dan niet bewijst in den zin van art. 41. Alleen met het oog op dit laatste kan het door dit vonnis bedoelde gemotiveerd verweer worden verlangd. Voor het te berde brengen zelf is het bloote overleggen voldoende.

P. 436. C. Schriftelijk bewijs, enz.

P. 436 reg. 15 v. o. — Na „geciteerd" in te voegen: Zie ook R. O. p. 432 no. 5.

P. 437 reg. 6 v. o. — Toevoeging: Bij bovenstaande beslissingen zie nog 1° Rb. Groningen 23 April 1926 W. 11546, N. J. 1926 p. 1315: een redelijke uitlegging van art. 41 brengt mee dat de Kantonrechter zijn bevoegdheid heeft te toetsen

Sluiten