Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Bij

P. 438.

merkt en dat uit het verweer van ongeldigheid der huuropzegging wegens niet-inachtneming daarbij van reglement en statuten waarop het huurcontract steunt, in het algemeen de onbevoegdheid van den Kantonrechter volgt, maar dat dit in het gegeven geval anders was door een complicatie [die hier niet wordt vermeld, daar zij enkel een gevolg was van de nu afgeschafte huurcommissiewetgeving],

P. 441 reg. 11 v. b. — In plaats van „verklaart" lees nu: verklaarde

P. 441 reg. 14 v. b. — In plaats van „d" moest er staan: c, maar de verwijzing vervalt, zie bij R. O. p. 443. — In .baaiplaats lees: Ygl. Ktg. Zaandam 22 Jan. 1925, bij R. O. p. 438 al. 1 geciteerd.

P. 442 reg. 2 v. o.—p. 443 reg. 7 v. b. vervallen wegéns intrekking der Crisishuurwetten. Insgelijks vervalt p. 443 onder c.

P. 443—445. — d—g worden c—f

P. 445 reg. 13 v. b. — Toevoeging van twee alineas:

g. Heeft de Kantonrechter zich onbevoegd verklaard, omdat z. i. het overgelegde stuk een nieuwe huur aanvankelijk aannemelijk maakt, dan ligt in dit summiere oordeel over de bewijskracht van het stuk geen definitieve beslissing daaromtrent en zeker geen beslissing over het bestaan van nieuwe huur. Dus mogen de bij de Rechtbank als eischer optredende verhuurder en de Rechtbank zelf die bewijskracht ontkennen.

Rb. Amsterdam 18 Juni 1926 W. 11551.

h. Art. 41 spreekt enkel van een schriftelijk huurcontract, niet van een erfpachtscontract.

Ktg. Assen 16 Sept., 1926 N. J. 1928 p. 1110 (vgl. R. O. p. 430 v. o.—431, c).

D. Diverse beslissingen.

P. 447 reg. 7 v. b. — Toevoeging: 6. Uit art. 41, een competentiebepaling, volgt niet dat gedaagde, die een mondeling aangegane huur niet schriftelijk kan bewijzen, moet ontruimen

Sluiten